is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1906 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

230

DE ECONOMISCHE OORZAKEN

kapitaal kan verkrijgen door de vruchten van zijn arbeid te sparen, en dat hij niets kan oversparen zoolang de voordeden van zijne vlijt slechts voldoende zijn om hem van dag tot dag te onderhouden. Als zijn werk van één dag, kon voorzien in de behoeften van eene maand, zou hij kunnen sparen, doch als hij dertig dagen noodig had om zich dezelfde hoeveelheid voedsel te verzekeren, zou hij niets kunnen overleggen. Wij zien dus, dat wij, behalve met de spaarkwestie, nog met iets anders rekening moeten houden, namelijk met tijd. Ons in afzondering levend individu spaart en verwerft zich dus kapitaal, omdat hij tijd spaart. Wij gelooven, dat op dit punt het oordeel van sommige staathuishoudkundigen, dat loonen betaald worden uit kapitaal, en de tegenovergestelde meening van Henry George, in één zelfde idee worden vereenigd. Een mensch moet de noodzakelijke levensbehoeften bezitten, om hem in staat te stellen tot arbeid; hij moet arbeiden om te kunnen sparen; kapitaal is opgegaarde spaarpenningen; er is tijd noodig voor het opgaren daarvan. Naarmate er tijd wordt gespaard treden dus de noodzakelijke levensbehoeften hoe langer hoe minder op den voorgrond in deze reeks, en zij zouden er geheel uit verdwijnen als de duur van tijd kon worden teruggebracht tot de grens van den termijn gedurende welken een mensch het zonder voedsel uit kan houden. Laten wij hier eens een eenvoudig voorbeeld van geven. Stel, dat er zooveel arbeid productief gebruikt wordt; dat de producten van dien arbeid eerst na zes maanden aan de markt zullen kunnen worden gebracht en dat de arbeiders, tot zoolang hun ijver vruchten afwerpt, moeten worden voorzien van de noodzakelijke levensbehoeften. Of wij zeggen, met de eene school, dat kapitaal noodzakelijk is om de noodzakelijke levensbehoeften te verschaffen, of met de andere, dat deze kunnen worden voorgeschoten op de toekomstige vruchten van den arbeid die aan den gang is, zeker is het, dat er noch kapitaalbezit bij de arbeiders, noch voorschotten in geld of goederen, bij wijze van leening noodig zouden zijn om de werklieden te ondersteunen, als de productie van hun arbeid over vierentwintig uren aan de markt kon worden gebracht.