is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1906 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236

DE ECONOMISCHE OORZAKEN

talist dus tegelijkertijd directeur zijner industrie dan zal hij ontvangen: 1. salaris als directeur, 2. interest voor het gebruik van zijn kapitaal, 3, een aandeel in de winst, dat zich tot de geheele winst verhoudt als de som van deze twee bedragen tot de geheele uitgave aan loonen (de loonen voor kapitaal, of de interest er op voor bewezen diensten daaronder begrepen).

Bij de bestaande organisatie van kapitaal en arbeid behoudt de kapitalist, na aftrekking van loonen en andere loopende onkosten en toelagen, het overblijvende voor zichzelf, en beschouwt dit dan als de interest voor zijn kapitaal en zijne belooning voor beheer, persoonlijken invloed en risico. Doch de waarde van deze verschillende factoren is niet wetenschappelijk uitgewerkt en totaal willekeurig. Bij coöperatie zou dit anders zijn. Het salaris voor 't beheer en het interestpercentage voor het gebruik van kapitaal konden dan geen punten van verschil opleveren, want het eerste zou bepaald zijn door de wetten, die de loonen in 't algemeen vaststellen en het laatste zou het percentage bedragen dat (hetzij door dalen of rijzen) bepaald zou worden door de vraag naar en het aanbod van oogenblikkelijk beschikbaar kapitaal aan de geldmarkt.

Dat eenige coöperatieve vereenigingen in den loop der jaren zijn ontbonden, bewijst niets ten hunnen nadeele, evenmin als de ontbinding van lang gevestigde, bloeiende zaken, die op de oude wijze worden gedreven, een bewijs zou zijn dat zij verkeerd gingen. Voorspoed zelf kan dikwijls de oorzaak zijn van ontbinding, want het verschaft de middelen waardoor zij die drukke zaken hebben gedaan, een rustig leven kunnen gaan lijden.

Dat coöperatie in het voordeel zou zijn van werkgevers en werknemers beiden, blijkt uit de volgende drie punten:

1. Zij zou de mogelijkheid van werkstakingen uitsluiten, want als de werknemers weten dat zij zullen deelen in de winst die voortvloeit uit hun arbeid, zullen zij de werkelijke belooning van hun arbeid niet in gevaar brengen door de vordering van den tak van industrie waarin zij werken tegen te gaan.