is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1906 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

266

HET BINNENSTE DER AARDE.

tuur aan de oppervlakte der aarde met de plaats, het jaargetijde, den dag en het uur en hangt zij ten nauwste samen met de warmte, die van de zon ontvangen wordt en met die, welke de aarde naar de ruimte uitstraalt. Die oppervlakkige laag, waar de temperatuur aldus afwisselt, heeft slechts zeer geringe dikte, minder dan twintig meter. Beneden die dunne huid, die gevoelig is voor uitwendige invloeden, blijft de temperatuur op elk punt der aarde onveranderlijk dezelfde ; een thermometer, die sedert meer dan een eeuw in de kelders van het observatorium te Parijs geplaatst is, heeft steeds volmaakt dezelfde temperatuur aangewezen van 11,82 graden.

De temperatuur neemt echter toe met de diepte: die vermeerdering is onder de meest verschillende omstandigheden bepaald, zoowel bij grondpeilingen als bij het boren van diepe putten, enz.; zij blijkt ook door de hooge temperatuur van wateren, die uit diepe lagen komen : zoo heeft het water van Hammam-Meskoutine in Algiers een temperatuur van 95 graden en dat van den grooten Geyser op IJsland, in het inwendige van den schoorsteen gemeten, bereikt zelfs een warmtegraad van 126 graden. Een gevolg van dezelfde oorzaak is het verschijnsel, dat men in Siberië op 125 meter diepte vloeibaar water vindt onder een laag ijs, waarvan de temperatuur aan de oppervlakte 10 graden onder het vriespunt is. Men mag dus aannemen, dat toename van de temperatuur met de diepte een algemeene regel is en dat de zeer weinige uitzonderingen, die waargenomen zijn, het gevolg zijn van plaatselijke omstandigheden.

Een noodzakelijk gevolg van dit verschil in warmtegraad is een voortdurende overgang van warmte van de heetere inwendige naar de koudere uitwendige deelen der aarde; daaruit volgt, dat de aarde afkoelt en onophoudelijk warmte uitstraalt naar de ruimte: men kan die hoeveelheid ongeveer schatten op een calorie per vierkanten meter in de minuut. Op een mooien zomerdag zendt de zon op een gelijke oppervlakte en in denzelfden tijd een hoeveelheid warmte, die tienduizend maal grooter is. De toevoer der inwendige warmte van onze planeet is dus onmerkbaar voor