is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 30, 1893 [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XSS TIBTIUM OBHTJS?

factieleer, omdat de tijd ons ontbreekt. Prof. Gooszen verwijst naar den reusachtigen arbeid van Harnack en meent dat voor hen, die hierdoor geleerd zijn, niet langer sprake kan wezen van het dilemma: altius quid cogitandum en aliud quid. Nu wensch ik den afstand te blijven beseffen, die mij scheidt van den Leidschen hoogleeraar, den man, die meer dienstjaren heeft dan ik levensjaren tel, maar ik wil worden gerekend te behooren tot hen, die zich door Harnack hebben laten leeren. Eene nieuwe aera is in de Dogmengeschiedenis met hem geopend en niet gemakkelijk kan iemand te veel zeggen over het nieuwe en in bekoorlijken vorm ons medegedeelde, van zijn Lehrbuch, maar opgeheven heeft hij niet Augustinus' dilemma. Reeds in 1876 schreef Dr. J. J. van Toorenenbergen (christelijke geloofsleer le druk, blz. 8) „in de eerste eeuwen van het Christendom werden de christelijke leerstellingen aanvankelijk ontwikkeld in den strijd met en onder den invloed van oostersche theosophische en nieuw-platonische denkbeelden." Over dien invloed nu vooral van het Griekschë element heeft de Berlijnsche hoogleeraar wel een verrassend licht laten opgaan, maar aangetoond heeft hij niet dat Prof. van Toorenenbergen niet langer schrijven mocht: Drieëenheids- en satisfactieleer zijn mij de formuleeringen van het meest wezenlijke, dat wezen heeft.

Grooten dank zijn wij intusschen aan Dr. Gooszen verschuldigd voor zijne belangrijke onderzoekingen. Zijne tijdgenooten zullen hem, hoop ik, daar even dankbaar voor zijn, als het nageslacht. Zóó veel heb ik in de laatste weken van Gooszen geleerd en zóó ben ik met eerbied vervuld voor zijn noesten, ook reusachtigen arbeid in mijn oog, dat het mij in de laatste dagen verdroot niet te mogen spreken over zijne werken in het algemeen, en mij te moeten bepalen tot het tertium genus.