is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 24, 1887 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DEN JABE 1733.

133

Hof van den Prins, bij welke gelegenheid de Heer van den Berg, uit aller naam den Vorst in zeer gepaste bewoordingen begroette. Toen de samenspraken ietwat gemeenzamer werden, nam een der predikanten de vrijheid om te zeggen: „Uwe Hoogheid heeft nog gisteren de noodzakelijkheid der Psalmverandering ondervonden en allersterkst voor de gemeente ten toongesteld." Wat was er dan gebeurd? De Prins had den vorigen dag de godsdienstoefening in de Groote kerk bijwonende met verontwaardiging het Psalmboek van Datheen weggelegd, toen men bij den voorzang aan het bekende 339te vers van Psalm 78 gekomen was '). „Ja" antwoordde de Prins, „van overlang heb ik de noodzakelijkheid ingezien ; maar gisteren heb ik die gevoeld! en ik wilde geen deel hebben noch door mijn medezingen noch door mijne schijnbare goedkeuring, aan blasphemie en godslastering, welke ik denk zich te openbaren, als men God bij een dronken man vergelijkt."

Nadat de Prins nog eenige zeer gunstige opmerkingen gemaakt had, werd het onderhoud eindelijk door eerbiedige afscheidsbuiging van al de predikanten afgebroken.

Voor reis- en verblijfkosten ontvingen de leden + ƒ6.— per dag. Die van Overijssel f 7.— en van Stad en Lande

ƒ9, Aan ieder der Heeren Staatsgemachtigden werd

ƒ 1500. en aan ieder der Amanuenses de helft van deze

1) Zooals men weet werd bij iedere godsdienstoefening een geheele pauze uit de psalmen geregeld gezongen. Men was toen juist aan de 7de pauze van dien Psalm gekomen. Het 3.3ste vers luidde bij Datheen aldus:

Maar gelijk een dronkig mensch hem opmaket,

Als de wijn wel verteert is en ontwaket,

Die zeer luid tiert en maakt een zeldzaam wezen:

Alzoo is ook onze Gkd opgerezen,

En sloeg 't achterdeel der vijanden kwaad,

't Welk hen een eeuwige sehand is en smaad.