is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 31, 1894 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DÈ LEEKEDICHTJENS VAN DE GENESTET TOEGELICHT.

zoo goed een Loyola als een Pascal; het is die behoefte waardoor de geest afstand pleegt te doen ten gevalle van den vrede van het hart, en waardoor men zich plaatst onder geestelijke curateele, om van een lastige zorg, het beheer van ons geestelijk vermogen, ontslagen te zijn.

Wij weten helaas! wat die dorst naar waarheid, wat die behoefte aan zielsrust beteekent: het is weder een nieuwe fictie waarmede wij hier te doen hebben; reeds bij het begin van den strijd is men zeker, dat er pleisters zullen gelegd worden op de wonden, wonden waarvan het misschien heilzamer zou zijn, indien zij open bleven.

Maar in ons leven en in het leven van velen onzer tijdgenooten is er een oogenblik gekomen, en ik zal het later uitvoerig beschrijven, een oogenblik, waarin de geest, morrende over al de beelden en figuurlijke uitdrukkingen die poësie en verbeelding als even zoovele lastige vliegen doen dansen op den disch waarop wij een voedend brood mogten wenschen, tot zich zeiven zegt: wat is er vast te grijpen en vast te houden? Wat is van dien aard, dat het door zijn innerlijke evidentie de mogelijkheid van iederen redelijken twijfel inderdaad buiten sluit? Als ilc al wat tot het gebied der voorstelling en der persoonsverbeelding behoort laat rusten, wat blijft er dan over waarvan ik met volle overtuiging kan zeggen: nu heb ik werkelijkheid, of althans nu zijn de allerlaatste middelen uitgeput, waarvan het in zijn magt staat gebruik te maken om mij voor zelfbedrag te bewaren

Behoefte aan werkelijkheid wapent nu in de eerste plaats onze kritiek tegenover de voorstelling waarvan wij zoo even gewaagden. Die oude voorstelling, van een stilstaande aarde, met een hemel daarboven, is waarlijk minder' onschuldig dan men denkt. Zij heeft den menschelijken hoogmoed krachtig in de hand gewerkt. Wij hebben het gevoel der evenredigheden verloren, waarin wij ons werkelijk bevinden. Al wat in de werkelijkheid uiterst klein is, is in onze voorstelling zeer groot geworden, zouder dat men zich de zeer betrekkelijke grootheid van hetgeen wij groot noemen ernstig bewust bleef. Wij spreken