is toegevoegd aan je favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 31, 1894 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TE HAARLEM VOOR HET JAAR 1895.

mentische bronnen voor zijn onderzoek (want ook het Nieuwe Testament had meer dan geschied is in aanmerking moeten komen), hangt samen, dat soms als historisch vaststaand wordt aangenomen wat nog zeer twijfelachtig is, zooals bijv. dat de Joden, reeds in het eerste jaar na de verovering van Babel door Cyrus, van dezen niet alleen verlof tot terugkeer naar hun land maar zelfs tot den herbouw van den tempel ontvangen zouden hebben. De mate van strengheid zijner critische methode kan men afleiden uit het feit, dat hij het Boek Esther en het Boek Tobith als historisch getuigenis voor den tijd der Achaemeniden wil doen gelden. Zijn dit bijzaken, de hoofdzaak is, dat de vraag inderdaad niet beantwoord is. Er is, bij veel goeds en waars in de bijzonderheden, eene zekere weifeiing in het geheele betoog, die den lezer aan het einde nog altijd in onzekerheid laat. Het spreekt van zelf dat de argumenten voor en tegen afhankelijkheid der joodsche voorstellingen van de Mazdayasnische opgesomd, gewogen, in hun betrekkelijke waarde erkend moesten worden. Het is even zeker dat een volkomen afdoend antwoord, bij den tegenwoordigen stand van 't onderzoek, niet te wachten was. Maar een antwoord, in welken zin ook, een overtuiging, op degelijke gronden steunend en wetenschappelijk verdedigd, dit mocht men eischen, en dit juist werd, naar het gevoelen van alle beoordeelaars, in deze verhandeling gemist. Eenstemmig moest men dus besluiten, dat aan haar de bekroning niet mocht worden toegekend.

Er werd besloten de prijsvraag op nieuw uit te schrijven, doch thans voor twee jaren, zoodat de antwoorden worden ingewacht vóór 1 Januari 1897. Zij luidt aldus:

„Vriï algemeen neemt men aan, dat sommige voorstellingen, met name over eschatologie, angelologie en demonologie, die men Ui de Joden na de ballingschap aantreft, aan den invloed van het Pdrsisme moeten worden toegeschreven.

In hoever is er genoegzame grond voor die hypothese, of is het mogelijk de genoemde voorstellingen geheel of ten deele pol-