is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 32, 1895 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VALSCHE PLEITBEZORGERS GODS.

dan tot 2 Kon. XXII en XXIII." Een feit is echter dat voor Kuenen deze hfdstt. hoegenaamd niets met de 8ste eeuw te maken hebben, en dat er in het geheele door Dr. H. „in *t kort" weergegeven betoog met geen enkel woord op gedoeld wordt.

Een ander voorbeeld. De Priesterwet, zoo deelt ons Dr. H. als het gevoelen der „critici" mede, bl. 157, werd niet lang na de ballingschap wellicht door Ezra, 458—444, herzien. Hij laat daarop volgen: „Zij bevat ten minste toevoegselen die kennelijk na-exilisch zijn, als P2 worden aangeduid, en door W. op bl. 364 van zijn meergenoemd werk worden opgesomd." Die niet zélf iets aan deze studiën gedaan heeft, gelooft natuurlijk wat Dr. H. zegt. Die dit wel heeft gedaan, begrijpt er niets van; hij sla Dr. W. na, en zal iets geheel anders vinden. Het verschil raakt de hoofdzaak niet, maar is voor de waardeering van Dr. W. als „criticus" niet zonder beteekenis.

Zoo is het ook met iets anders. Bl. 155 schrijft Dr. H.: „Immers wanneer men denkt met hoeveel warmte E over de heiligdommen spreekt, dan steekt hierbij de mindere warmte van J ongunstig af." Dr. H. plaatst deze woorden tusschen aanhalingsteekens en verwijst naar W.: de Letterkunde enz. bl. 164; zij moeten dus een citaat verbeelden. Toch zijn zij niets dan eene vrije teruggave van Dr. W.'s gedachte, en wel met deze fout dat hij in de tweede helft een geheel verkeerd subject inlascht. Aan een vergelijking tusschen J en E denkt Dr. W. in dit verband niet.

Eindelijk: bl. 313 heet het: „deze van onbewezen en ten deele onbewijsbare stellingen wemelende uiteenzetting van Kuenen is zoowel de uitkomst van, als de aanleiding tot de onderscheiding van E en E2, waarop ik voorzoover het onderwerp dit medebracht, uwe aandacht gevestigd heb." Men lette hier op het „ten deele", maar

24