is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 32, 1895 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRIEËRLEI GROOTHEID'.

dc echtheid van dit stuk twijfel ik meer en meer. Wel is het aan Pascals gedachtenkring ontleend, maar de toespelingen op uitspraken en denkbeelden van hem zijn te menigvuldig en te letterlijk om niet aan namaak te denken. Ook verstond Pascal de kunst van een stuk samen te stellen te goed, om zulk lapwerk te leveren. De boven aangehaalde plaats vindt men Holl. Vert. blz. 425; vgl. ook Nourrisson, Pascal physicien et philosophe, pag. 47.

(37) Défense de Pascal, pag. 97.

(38) Remarque sur XVII, 1; II, p. 19.

(39) Pascal u. die geschichtl. Bedeutung s. Schriften in Wissenschaftliche Abhandlungen. Herausg. v. Jacóbi, 1851, S. 70.

(40) Wie daarin dieper wil indringen raadplege die ook mijne leidslieden zijn geweest: Nourrisson, Pascal physicien et philosophe, pag. 144 et 145; Ravaisson, La philosophie de Pascal. Revue des deux mondes, 15 Mars 1887, pag^ 404; Brunetière, Etudes critiques, IV Janse'nistes et Cartésiens, pag. 140; Alfred Fouillée, L'influence et Vavenir des idéés de Descartes. Revue des deux mondes 1893, 15 févr. Pag. 359—390.

(41) In zijn Traité des passions de l'ame, 1646.

(42) Descartes had voortreffelijk gezien, dat de verborgene kracht die de dingen bezielt is de „amour", de „charité", de „harmonie." Una est in rebus activa vis, amor, charitas, harnmnia (Foucher de Careil, Oeuvres inéd. de D. p. 14). Hoe doordrongen echter de schrijver van de Principes de la Philosophie ook zij van de liefde Gods, daarom was hij niet minder voornamelijk, zoo niet eeniglijk gebleven de wijsgeer van het verstand en van den wil (Nourrisson, Défense de P. pag. 97) Pascal was de wijsgeer van het hart, die, zonder deductie, met een enkelen sprong uitlegt welke de macht der liefde in de dingen is.

(43) Niet onbelangrijk zou ook eene vergelijking zijn met de trichotomie van Paulus, 1 Thess. 5 vs. 23. In zooverre komt zij met Pascals verdeeling overeen, als beide uitgaan van het denkbeeld, dat 's menschen wezen niet genoegzaam is aangeduid door: „hij bestaat uit lichaam en ziel", maar Paulus en Pascal gebruiken het woord geest elk in zijne eigenaardige wijd uiteenloopende beteekenis.

61*