is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 32, 1895 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BEHEER DER KERKELIJKE GOEDEREN.

kelijke zaken te onthouden, hebben wij later gezien. Er bleef in de gegeven omstandigheden niets anders over dan te berusten in de schikkingen die door den koning getroffen waren, en de vraag naar bevoegdheid en recht ter zijde te stellen.

Het liet zich niet verwachten, dat allen op den duur vrede zouden hebben met deze regeling van het beheer. De provinciale reglementen droegen te zeer de kenmerken der vorige dagen, toen staat en kerk geheel vereenigd waren, om niet van tijd tot tijd stemmen te hooren opgaan die om verandering riepen, en de kerk van den staat los te maken. De machtstoeëigening tot vermeerdering van den staatsinvloed moest levendig worden gevoeld en voornamelijk de synode, als hoogste kerkbestuur, ondervond ieder oogenblik hoe weinig vrijheid der kerk gelaten werd. Bestuur en beheer, zoo geheel onafhankelijk nevens elkander geplaatst, en beide cnlmineerende in den minister des konings, moesten de gevolgen eener gansch onnatuurlijke en strenge afscheiding soms pijnlijk ervaren. Het geheel onkerkelijk karakter, dat de collegiën van toezicht droegen, moest ontevredenheid verwekken. Het gemis van eenparigheid in de wijze van beheer droeg er toe bij, dat het misnoegen klom. De klachten bij de Synode ingediend over misbruiken en het besteden van kerkelijke fondsen tot onkerkelijke doeleinden deed den wensch uiten naar een zuiver kerkelijk beheer en een kerkelijk toezicht, en het kon wel niet anders of de regeering moest langzamerhand tot het bewustzijn komen, dat zij zich gewaagd had op verboden terrein. Hoe dieper de overtuiging doordrong dat staat en kerk behooren gescheiden te zijn en de staat zich niet mengen moet in de aangelegenheden der kerk, des te zwaarder drukte de hand van den staat, en des te levendiger werd de wensch dat, de staat zich toch be-