is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 33, 1896 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LOUIS COUPERUS.

— Neen. Het is allemaal onzin, zeg ik je. Zeur er niet meer over.

— Goed. Dan . . zal . . ik . . het . . doen! sprak ze langzaam, als nam ze een vast, onwrikbaar besluit. En langzaam ook, zonder om te zien, zonder den gewonen uachtzoen, verliet zij het vertrek. Het was haar of Sir Archibald een vreemde voor haar was geworden, of er niets teeders bestond tusschen dien vader en haar, nooit bestaan had, niets dan de vijandschap van twee tegenstrijdige temperamenten. Neen, zij hadden onder de uiterlijke harmonie nooit voor elkaar gevoeld, nooit elkander gekend, nooit elkaar pogen te begrijpen: zij hem niet in zijn ouderdom, hij haar niet in heure jeugd. Mijlen afstands, een woestijn, eene eindelooze leegte was tusschen hen; zij waren elk in zichzelve opgesloten als in twee tempels, waarin verschillendo eerediensten heerschten,

— Hij is mijn vader! dacht ze, terwijl ze door den corridor ging. En ik ben zijn kind ....

Na jaren komt evenwel het bedrog uit. Bertie erkent zijn misdaad. Frank, in een paroxisme van woede , vermoordt hem met vuistslagen en trappen. Frank brengt daarna eenige jaren door in de strafgevangenis der duinen, en gevoelt zich, vrijgekomen, onwaardig om de man te worden van een engel, als Eve is; en Eve daartegenover voelt evenzeer haar smetteloos leven bezoedeld, door de aanraking met zooveel schuld en zonde, dat zij het niet langer kan dragen. Ook zij leert de fataliteit deidingen verstaan. Beiden maken door vergift een einde aan hun leven, en sterven in elkanders armen.

Het Noodlot ruischt het, door het begin van het boek. Het Noodlot heet het in het midden. Het Noodlot luidt het in het einde. Ten slotte heeft niemand schuld. Én Eve, én Frank, én Bertie zelfs, zij hebben het leven niet anders kunnen maken dan het geweest is. Allen zijn prooi van het Noodlot!