is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 33, 1896 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANTWOORD AAN BR, F. W. MERENS.

Ik antwoord: dat zedelijk reelat grond zich op uwe vrijwillige toetreding als lid van een protestantsche Kerk, die belijdt.. Heeft nu die Kerk bepaald, dat zij niets anders van hare leden en leeraars verlangt, dan dat zij „den weg des heils naar de Schrift" 2) volkomen beamen, dan zijt gij daaraan gebonden.

Bij vrijwilllige toetreding, als lid van de Ned. Herv. Kerk zijt gij echter verplicht, om u aan hare belijdenis te houden, zoolang deze rechtens van kracht blijft. Daarmee is m. i. uw tweede vraag op blz. 1200 ook beantwoord.

Maar zoo vraag ik op mijn beurt. Waarin grondt zich het zedelijk recht van een lidmaat onzer belijdende Kerk, om wel af te wijken van hetgeen onze vaderen noodig geacht hebben in hunne belijdenis, catechismus en leerregels op te nemen? Temeer komt deze vraag, dunkt mij, aan de orde, omdat het nog niet bewezen is, dat onze belijdenisschriften niet in alle deelen conform Gods Woord zijn en zelfs art. 11 A. B. „handhaving der leer" voorschrijft.

Doch gij zegt: „De vrijheid eens Christenmenschen brengt gebondenheid met zich aan het woord Gods ter zaligheid, maar niet aan de uitspraken van menschen, Synoden of Conciliën." Zeker! (zie ook art. VII. Nedl Gel.).

Maar dan toch, ook volgens u, gebondenheid aan het Woord Gods. Dan is het toch gewis noodig, dat in een Kerk van Christus althans een kortere of langere formule geldend is, waarin wordt uiteengezet, wat de Kerk belijdt, als hoofdinhoud van dat Woord Gods? Want dat gij zoudt willen, dat nu ieder, die lid van de Kerk is, maar hoofd voor hoofd zou moeten bepalen, wat met Gods Woord overeenstemt, dat mag ik, op grond van uw „open brief", zelfs geen oogenblik veronderstellen.

„De protestant heeft het recht, zegt gij verder, in twij-