is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 33, 1896 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERHOUDING VAN DEN EVANGELIEDIENAAR TOT DE

■wordt gezegd dat zij „weer met blijde stelligheid gaan over Spinoza's levensgrond."

Wellicht wordt het ons hier duidelijk waarom zoo veie van onze jonge menschen zoo gretig, zoo hongerig grijpen naar deze letterkunde. Is het ook, omdat men merkt dat er hier althans weer eenige bemoeiing met de ziel, eenige bemoeiing met innerlijk leven is? Men mag ten minste weer een ziel hebben, dat was langen tijd niet geoorloofd. Een groote, sterke schijn van verlossing is hier uit de dorheid van het verstandelijk ongeloof. Aan de fel gejaagde en geslagen ziel wordt ten minste weer toegegeven dat we nog wel iets anders noodig hebben in 't leven dan een diploma, een acte middelbaar of wat daaronder of daarboven is. De ziel mag weer zich geven, zich verliezen zelfs in opgetogenheid, in dronkenschap des gevoels. De menschen willen weer het mystieke, het mysterieuze, zij willen de extase, de contemplatie, zij willen een zekere vroomheid, een zekere religie. Wat ontbreekt hier dan? Hebben wij op deze vraag nog een ander dan een dogmatisch antwoord? Weten wij wat pantheïsme is, niet maar uit een definitie, maar omdat onze ziel met deze dingen in aanraking gekomen is? Gevoelen wij dat ons de kans geboden wordt om te toonen wat wij dan meer dan alle dezen bezitten in Christus ? Zoo roerend is de ingehouden jubel, als Augustinus in zijn Confessie-nes ons beschrijft hoe hij uit de contemplatie der Neoplatonici tot het fundament der godvruchtigheid (solidamentum pietatis) in Christus kwam. 8En ik zocht den weg om tot sterkte te komen, waardoor ik u, o Heer, genieten mocht, maar ik vond hem niet, totdat ik omhelsde den Middelaar Gods en der menschen Iets anders is het van een hoogen wild begroeiden bergtop het vaderland des vredes te aanschouwen, maar den weg daarheen niet te vinden, iets anders is het