is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 33, 1896 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAT BETEEKENT ABT. 6 AL. 2 VAN HET

hierdoor tot zijne dwaling vervallen, waarin hij op hoogen toon der Synodale Commissie de les leest.

Om zijne zienswijze ingang te doen vinden bij zijne lezers, beroept hij zich, behalve op hetgeen door mij reeds is wederlegd, op den contextus van Art. 6 al. 2 Alg. Eegl. „Het is duidelijk — zoo zegt hij — dat de wetgever, die hier over de samenstelling der bestuurscolleges handelt, aan de door die colleges te houden vergaderingen nog volstrekt niet denkt of gedacht wil hebben." ')

Hiertegenover stel ik de bewering, dat een wetgever niet over liet optreden van secundi kan handelen, zonder te denken aan bestuursvergaderingen. Want juist die vergaderingen maken bijna uitsluitend het raison d'être van secundi uit.

Ook in de Artt. 15, 16 en 18 Eegl. v. O. en T. enz. meent Ds. Ham steun te vinden voor zijne bewering, dat in Art. 6 al. 2 Alg. Eegl. door „tijdelijke ontstentenis" moet verstaan worden een tydeli/Jc niet-voorhanden, vacant zijn, deësse. Hij schrijft 2) „En volkomen juist wederom heeft 's Gravenhage (Class. Bestuur) geargumenteerd : „als de wetgever bij Art. 6 al. 2 bedoeld had, dat bij elke verhindering van den primus om te komen, terstond zijn secundus moet worden opgeroepen, dan zou dat natuurlijk ook toepasselijk zijn op de gevallen genoemd bij artt. 15 en 16 Eegl. voor O. en T., en dan was art. 18 overbodig, ondenkbaar, ja onzin."

Ik vind deze argumentatie volkomen onjuist. In Art. 6 al. 2 Alg. Eegl. wordt blijkens de historie voorgeschreven, dat bij „tijdelijke ontstentenis" d. i. bij tijdelijke verhindering van den primus, de secundus voor

1) Theo}. Tijds. bl. 176, 2) Ibidem bl. 181.