is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 33, 1896 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK.

Het Mysticisme, dat uit de nieuwere zelfkritiek des denkens geboren wordt, is geene logophobie a priori, maar rond en eerlijk uit te spreken resultaat; het is de zienswijze dergenen, die bij alle lust en bereidwilligheid om door onderzoek en redeneering op te helderen en te leeren doorzien wat wij vermógen op te helderen en te doorzien, in droevige en weemoedige berusting eens voor al hebben leeren bevroeden, dat ieder onzer afzonderlijk en wij te zamen met elkander, met ons betrekkelijk begrijpen in eene eindeloosheid van het volstrekt onbegrijpelijke zweven. Men noeme dat onbegrijpelijke gelijk men wil, — nil moror, doch erkenne in allen gevalle onverholen, dat het bij allen weerstand dien het biedt aan ons verstand, zich op blijft dringen aan ons geloof. Een meer dan „verstandig", een in zijne intuïtiviteit ons ingegeven geloof. Er is een geest van aanmatigende heerschzucht en streven naar verstandsverstikking in ouderwetsche geloofshelden van fabuleerende godsdiensten; er is echter ook een geest van zelfoverspanning der rede in nieuwerwetsche, bij uitnemendheid „wetenschappelijk" zich noemende, doch in waarheid dor eenzijdige, verstandsmenschen. Laat ons altoos ons verstand gebruiken zoo goed wij kunnen, doch laat ons niet op onze wijze de fout herhalen der middeleeuwsche scholastici, die steeds vooruit wisten dat zij de waarheid van de leeringen der Kerk te betoogen hadden. In onze dagen heeft ook de „vrije" wijsbegeerte hier en daar, ja velerwege, in dien zin iets schoolsch; zij is nu aanstellerig „exact en wetenschappelijk" geworden, zij is geworden tot eene van het leven afgewende scholastiek, waarin men bij straffe van belachelijkheid de alleen zaligmakende heerlijkheid van objectieve wetenschap en de nietigheid van metaphysische overtuigingen heeft te demonstreeren. Het leven der Natuur is echter rijker dan de objectief visionaire puntenwarreling waarin velen nog het Al zouden willen zien, doch waarin alles tot uitwendige verhouding is geworden, zonder gevoel of innerlijkheid; heeft de mechanistische natuuropvatting als methode haar goed recht van bestaan, als theorie is zij eene bekrompene, eene plat eenzijdige dwaasheid. Het waarlijk naar wijsheid strevend gemoed tracht ernaar, zich boven de toevallig-