is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons eigen tijdschrift, 1927 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met twee woorden

Een Legende van Liefde. 0

DOOR JOHANNA E. KUIPER.

Met een teekening van W. Heskes. 0

IE OVER DE MIDDELEEUWEN HOORT

spreken is geneigd allereerst te denken aan eenzame kasteelen en stille kloosters en vergeet de drukke steden en woelige havenplaatsen, vergeet ook het drukke verkeer,

dat sinds de kruistochten bestond tusschen Europa en het Heilige Land. Pelgrims en kruisvaarders scheepten zich in om te pogen Jerusalem te bereiken, anderen keerden, ziek, verarmd en ontmoedigd naar het Vaderland terug. Er werd handel gedreven, gekocht en verkocht, de waren van Oost en van West tegen elkander geruild. 0 In de kustplaatsen van Palestina wemelde het van vreemdelingen: blonde Westerlingen, donkere kooplieden uit de binnenlanden, karavaanvoerders, krijgslieden, bedelaars en pelgrims, ieder vervuld van eigen zaken, met weinig of geen aandacht voor den ander. 0 Maar eens werd toch ieders belangstelling gaande gemaakt door een jonge vrouw, een Saraceensche, die rusteloos heen en weer liep langs de haven en iets scheen te zoeken. Rijk was haar kleeding, maar geen dienaar of dienares vergezelde haar. Niemand wist waar zij vandaan kwam, noch waar zij haar intrek had genomen, wie haar aansprak kreeg geen antwoord: er was slechts één woord, dat zij herhaalde, telkens weer, bij elke aanlegplaats, tegen eiken schipper, zacht, maar dringend: „Londen?" 0 Als men het hoofd schudde, de schouders ophaalde, ging zij weer verder, nooit ontmoedigd, nooit ongeduldig, en herhaalde weer dat ééne woord: „Londen?" 0 Tot een Engelsch scheepskapitein medelijden kreeg en haar met zich nam aan boord van zijn vaartuig. Zij dankte hem met een glimlach, zocht een plaatsje op het dek, dicht bij den voorplecht en zonder eenmaal om te zien naar het vaderland, dat zij verliet, staarde ze in de blauwe verte. Tot, na weken, de schipper naast haar stond en met uitgestrekte hand haar wees: „Londen!" 0

Door de drukke straten der Engelsche hoofdstad dwaalde eenzaam een Oostersche vrouw. De taal van het land kende zij niet, een huis wilde zij niet binnengaan, maar dringend, vragend, smeekend herhaalde ze telkens een naam, altijd denzelfden naam:

„Gilbert". 0 Het volk lacht. Hoeveel Gilberts zijn er niet in Londen? Welken Gilbert meent ze? Wat wil ze van hem? Maar zij weet niets dan dien eenen naam en dien herhaalt ze, altijd weer, dringend, vragend, smeekend. 0 En men begint zich af te vragen, wien ze toch zoeken Zou? Tot eindelijk iemand zegt: Mogelijk zoekt zij Gilbert Becket, de pelgrim die in het Saraceensche land gevangen werd genomen. Die als slaaf, geketend, onder de brandend heete zonnestralen, door de woestijn moest trekken, gestriemd door den lederen zweep der slavendrijvers, tot, in een onbekende stad, het dochtertje van den Emir 's nachts heimelijk zijn boeien slaakte en hem

deed ontvluchten: omdat zij den blonden man had liefgekregen. 0 Men gaat hem roepen, en met een kreet van vreugde herkent hij het meisje, dat hem redde. En met een glimlach gaat zij den man tegemoet, tot wien haar liefde haar gevoerd heeft, dwars door zee en door land, met twee woorden. 0 (Naar een gegeven van C. F. Meijer).

Aubade.

Als ik dan voor u zingen zal, mijn lief, dan moge het wel helder zijn en klaar; het klaterende water van de bron in honderdduizend kleuren; en de zon maakt uit de droppels diamanten. Maar veel mooier zijn de bloemen, lief.

Zoo ik dan voor u zingen zal, mijn lief, dan moge het zoo wonder zijn en teer als al de bloemen uit je vaders wei, de innige vertelsels, die zoo blij te morgen openbloeien. Doch wel zeer veel schooner zijn de vogels lief.

Als ik dan voor u zingen zal, mijn lief, dan moge het zoo vroolijk zijn en rein; de vogels uit den bongerd bij uw steê die jubelen ten hemel. Ach, ga mee en laat mij als ik zing dicht bij u zijn want alles zijt gij zelf, mijn lief.

Willem Brandt.

17