is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons eigen tijdschrift, 1928 [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zal er voor zorgen dat alles naar Queens Hotel hier op de kade komt, wij moeten van boord.... Haast U wat menneke...." Jef woelde weder in den binnenzak en vond de papieren; het twintig franken biljet dwarrelde omlaag. Bavo nam het op en legde het naast het aapje neer. Uit een andere cabien klonk luid geschreeuw. „Ze moeten mij hebben. Laat dien hutkoffer staan, dien breng ik ook naar het Hotel!" 0 Bavo, reeds in den corridor riep het hem nog toe.... Hij zag hem niet meer terug. 0 Boven zijn hoofd verstierf het geluid der voetstappen naar verder gedeelten van het schip, dat reeds dreunde van het stalen klinken der trillende stoomkranen. 0

Jef, grauw, vaal onder vet glimmende, zwart leeren pet met vierkante klep, Menneke half verdoken tusschen de rond schonkige leden wijd hangende en verkreukte kleeren, voelde hoe het dier in doodsangst de dunne vingertjes krampte aan de knoopen van zijn vest en in de wollen das om zijn magere nek. 0 Hij verliet aarzelend zijn cabien en bleef een oogwenk besluiteloos staan in de kil-tochtige zijgang. Vervaarlijk gierde in hem op een wurgende vrees voor wat hem daar buiten, midden al die vreemde wezens wachtte. Waarheen? Waarheen? 0 Rillingen doorvoeren hem wanneer hij dacht aan het Hotel dat Bavo had aangeduid en hij hield vaster tegen

zich het nu weer hoestende dier. Maar hij hoorde boven, tusschen het donderen van het lossen, mannenstemmen, en zij dreven hem aan, als golden ze hem, als waren het norsche bevelen voor hem om nu terstond de boot te verlaten.... En daar strompelde hij, het zware valies torsend door de groote gang naar de trap. Eén passagier slechts ontmoette hij, juist toen Menneke sidderend van koude en ellende weder begon te hoesten en het roode schuim opnieuw hem tusschen de tanden kwam. „Nom de Dieu, Nom de Dieu", prevelde Jef weer, terwijl hij het valies neerzette en zijn bonte zakdoek drukte tegen den bek van het dier. 0 Nauwelijks hoorde hij dat de man, die hem voorbij ging, hem vraagde, wijzend op Menneke: „II est malade?" Verschrikt antwoordde hij, met doffe stem, zonder den reiziger aan te zien: „Oh, il est bien malade!" En omdat het hoesten langzaam ophield, verborg hij zijn makker geheel onder zijn kleeren en begon de trap te beklimmen.... 0

Daar buiten voelde hij nog wel, hoe het diertje onder zijn jas nu en dan bewoog, maar het was alsof de aanvallen minder en minder hevig werden. In een verstijvenden angst lachte hij dwaas en had luid willen uitschreeuwen: „Hij sterft! Help! Help!" 0 Maar dat zou de voorbijgangers hebben opgeschrikt. Overal zouden ze hem aanwijzen, ze zouden hem her-

99