is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons eigen tijdschrift, 1928 [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beweegbaar speelgoed.

Zaag met de figuurzaag uit een dun plankje van ongeveer 10 c.M. lang het vogeltje en uit een plankje van ongeveer 6 c.M. lang het nestje met de jonge vogel. Zet deze figuurtjes met 2 dunne spijkertjes op een tweetal evenwijdig liggende latjes vast, in zoodanigen stand, dat bij heen en weer schuiven der latjes het moedervogeltje het jong voert.

Ook kan je het geheel nog met waterverf of ripolin in leuke kleuren schilderen.

raadsels.

Wikker de wakker

Vloog over den akker.

En al waren er ook zeven landsheeren

Die zouden wikker de wakker

Van den akker niet keeren.

Oplossing: De wind.

't Zijn zes en twintig rare heeren,

Die 't heele land regeeren;

Zij eten geen brood,

Zij drinken geen wijn

Ra, ra, wat rare heeren dat zijn.

Oplossing: De 26 letters van het ABC.

Groen zijn de muren; Wit zijn de buren; Zwart zijn de knapen, Die in de kamertjes slapen. Oplossing: De appel.

Niemand en Iemand

Kwamen in een leeg huis.

Niemand ging er uit. Iemand ging er uit;

Wie bleef er nu nog in?

Oplossing: Geen van beiden.

Het is weg, het blijft weg en toch blijft het. Oplossing: de weg.

Amsterdam begint met een A en eindigt met een e. Hoe kan dat?

Oplossing: Het woord eindigt begint met een E. 0

kringbal.

Dit spel wordt gespeeld met een niet te groote zware bal, die niet spoedig de lucht in gaat. De spelers plaatsen zich in een kring, op afstanden van ongeveer anderhalve of twee meter. Tusschen elke twee spelers moet nu een steentje of houtje gelegd worden of een streep getrokken. In het midden neemt een 'speler plaats met de bal. Die moet nu 'als het waie tegen alle andere spelers doeltrappen, dat wil zeggen, probeeren den bal tusschen twee der strepen of houtjes door te schoppen, langs den speler, die dit doel verdedigen moet. Als het hem lukt den bal buiten den kring te krijgen, moet degene die den bal doorgelaten heeft baldrijver worden, en de baldrijver de plaats van den speler innemen. Ook wordt baldrijver degene die de bal met de handen aanraakt. Wordt de bal over de hoofden van een der spelers buiten den kring geschopt, dan moet de baldrijver hem zelf halen, en geldt dit niet. Ieder moet zijn eigen vak verdedigen, en wanneer iemand den bal in het vak van zijn buurman stopt, geldt dit als had de buurman hem doorgelaten. 0

een kijkgrapje.

een aardige wandversiering.

Je ziet op dit figuurtje twee voorstellingen, een beker cacao en een jongen die er heel begeerig naar kijkt.

Als je nu een briefkaart of een stukje karton neemt en dat rechtop midden tusschen de twee figuurtjes zet, en dan het plaatje een halve meter van je gezicht verwijderd houdt en langzaam naar je oogen brengt, tot dat je met de top van je neus de briefkaart raakt, zal je de beker cacao langzaam den mond van den jongen zien naderen, tot hij hem op het laatst precies aan de lippen heeft. 0

Onderwijzer: Wie kan mij een belangrijk ding noemen, dat wij honderd jaar geleden nog niet hadden?

Keesje: Mij! 0

Teeken op een stukje wit carton van ongeveer 15 c.M. bij 15 c.M. deze springende haas na; dus ongeveer 2 maal zoo groot als op het plaatje is aangegeven. Prik op afstanden in de teekening met een stopnaald kleine gaatjes en borduur de teekening met een zwart wollen draad om. 0 Kleur nu de teekening met waterverf of kleurkrijt in aardige tinten naar je eigen smaak. 0

in de kaart gezien.

Een schoolopziener wilde een klas eens beproeven of ze ook attent was. „Noem mij eens een getal, dat ik op bord zal schrijven?"

„Vijftien", zei een van de jongens.

De schoolopziener keerde zich naar 't bord

en schreef 51.

Niemand scheen de vergissing te bemerken. ® „Geef mij nog een ander getal?" vroeg hij„Twee en negentig!" riep 'n tweede jongen. En de schoolopziener schreef weer 29De klas bewaarde het stilzwijgen. „Geef mij nog een getal op", zei de schoolopziener, „en gebruik je oogen". Toen riep een kwieke jongen: 22, mijnheer, en probeer nou nog maar eens om er een fout in te maken. '®

Frans, tien jaar oud, moest een week lang wegens ziekte thuis blijven. Als hij weer op school komt, zegt de onderwijzer vriendelijk: — Zoo Fransman, ben je weer terug? Wel jongen, nu maar goed je best doen om alles in te haien. Wanneer ben je ook weer ziek geworden? 0

Frans peinst en peinst en plotseling verheldert zijn gezichtje en vreugdestralend roept hij: — O, gelukkig, ik weet het precies. Bij de vrede van Munster, meneer.

160