is toegevoegd aan je favorieten.

Ons eigen tijdschrift, 1928 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de hand gedreven goudleder van Jan Mensing. SpaanschMoorsch patroon. 0

Op de oude wijze gedreven goudleder vóór het invullen der fond. 17e eeuwsch karakter. 0

Goudlederkunst

EEN UITSTERVENDE TAK VAN KUNSTNIJVERHEID.

DOOR SJOERD BROERSMA. 0 0 0

SET IS STELLIG NIET TE HOPEN, DAT

tot de naweeën van den wereldoorlog ook het uitsterven van de goudlederkunst zou behooren, een kunstuiting, die eenmaal zeer belangrijk is geweest en in verschillende

landen tot grooten bloei kwam. De publieke belangstelling is wel voor vele dingen gedoofd in de laatste jaren, doch verdient een kunst, die zoo schaars beoefend wordt, niet dubbel de aandacht en waardeering? Deze overweging was het, die mij naar de pen deed grijpen, om eens iets over Jan Mensing te schrijven, een van de héél, héél weinigen onder onze tijdgenooten, die zich met hart en ziel op het bereiden van goudleder toegelegd hebben. 0

Een verfijnde, luxe-bewerking van het leer met goud, zilver en kleuren, is reeds eeuwenlang bekend. Naar West-Europa werd zij voor het eerst overgebracht door de Mooren. Het goudleder duidde men toen aan met den naam van „guadamacil", een benaming die later plaats moest maken voor „brocaderos y cueros". Sommigen leiden de oorspronkelijke benaming af van de Afrikaansche stad Ghadames in Tripoli, een plaats die in de 12de eeuw beroemd was door haar goudleder. Ook Tunis en Marocco hadden reeds in de 10de eeuw een groothandel in het „Marokkijn van de Levant". Nog anderen meenen, dat de naam „guadamacil" uit Spanje komt en wel uit het dorp Guadameci in Andalusië. Voor de hand ligt echter, dat de Mooren, die de vlakte van Andalusië tot woonplaats hadden uitgekozen, ter herinnering aan hun beroemde vaderstad deze naam aan hun nieuwe woonplaats gaven. In 1316 bezat Barcelona een gilde van goudledermakers (guadamacilleros), maar Cordova nam de voornaamste plaats in. In Frankrijk ontstond in de 16de en 17de eeuw een belangrijke nijverheid en in 1416 liet Koningin Marie van Anjou, de gemaling van Karei VII, al zes goudlederen. ... aankoopen voor haar paleis. Het handwerk nam een nog hoogere vlucht in Italië, waar Catharina de Medicis een belangrijke verzameling behangsels voor Frankrijk bestelde. Te Venetië waren in de 16de eeuw verscheidene fabrieken van goudleder, en hun producten vond men bijna in alle huizen en kasteelen van de Italiaansche ridderschap. 0

Thans is er in Italië nog één vertegenwoordiger van deze edele kunst, Guiseppe Norsa, die in Padua zijn fabriek heeft. Norsa levert zijn goudlederen voor een groot deel aan Amerika en voorziet ook geheel Europa van zijn producten. Terwijl in een land als Engeland het bereiden van goudleder nooit tot hoogen bloei is gekomen, dreef Holland reeds een tijdlang handel in Spaansche goudlederen, vóór het zelf deze nijverheid ging beoefenen. Vreemd genoeg bleven de Hollandsche goudledermakers naast hun eigen producten voortdurend het Spaansche goudleder verkoopen. Vermaardheid verwierven reeds goudledermakers als Willem van den Heuvel en Claes Jacobsz te Amsterdam. De „Cuirs

180