is toegevoegd aan je favorieten.

Ons eigen tijdschrift, 1928 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de hemel, waarlangs de witte wolken zwierven. Gracieus wiegden de pluimen op de adem van de zingende wind. Het haverveldje werd vervangen door een luchtige bosschage. Teekende het licht geen geestige schaduwen op ons smal paadje? Hoe teer groen was het varenkruid, hoe ernstig de donkere dennen! 0 Dan daalden we. Nog waren we welhaast even hoog als de toppen der rijzige populieren, die trouwe metgezellen, speelnooten van de kronkelende beek. Welhaast bereikten we de oever. Het zonlicht viel door het ijle loof en tintelde op het malsche weitje daar in de verte. De hooge boomen spiegelden zich rustig in het langzaam vlietende nat. Ja, waarom zag je me toen Zoo aan? Ik kan het ook niet helpen: het water van de Geleen is zwart, pikzwart, als inkt! Maar verwijt ge een werkman, een smid, zijn zwarte hand? De Geleen werkt! De groote rijkdom van Limburgs bodem, door nijvere mijnwerkers omhoog gedolven, wordt door het Geleenwater gewasschen, vandaar zijn zwarte kleur, welke hij echter met eere dragen mag. Eenige minuten verder zagen we nog een bewijs voor zijn werkzaamheid. Daar tusschen peppels en elzen en fijne wilgen lag een watermolen, wiens zware rad moeizaam werd rondgedraaid door het zwarte water. 0 We verlieten de Geleen en sloegen rechts af. Een smal paadje voerde ons een kleine heuvel op. Wat was het daar rustig! De middagzon was hoog geklommen. Haar warmte lag als een donzen, weelderige mantel op de goede heuvelen. Ze speelde een grillig schaduwspel onder het hooge geboomte, waarvan de bladeren droomerig ritselden. De verte tintelde van licht, de heuvelen glansden in een goudmist. De lucht was vervuld van de zware geuren van de volle zomer; wat rustten we heerlijk in dit verrukkelijke, bijna te heerlijke paradijsje! Maar onverbiddelijk, door niets te weerhouden, schreden de zonnerossen voort naar het Westen. Voor ons werd

het ook tijd, de eenzaamheid te verlaten, waar het zoo bovenmate goed was te zijn. 0 Weldra ontmoetten we weer woonsteden der menschen, hier een wel-omsloten boerenhoeve met haar talrijke bijgebouwen, daar. een armelijk stulpje, door zon en schaduw omgetooverd tot een ding van verheven schoonheid. De dag spoedde ten einde. Langer en langer rekten zich de schaduwen; nog even een doorkijkje naar de avondlijke landen, waar de lijn van de glooiende heuvelen in wondere samenklank was met de rust van de stil aanschrijdende avond. q Zoo zagen we ook terug op de sublieme uren van die heerlijke dag, dan wendden we ons af en stonden plotseling tegenover het roerende slot: de ondergang van de zon, die alle kleuren en glanzen en gloed van de dag nog eenmaal te zamen scheen te roepen tot een grandioze uitvaart. g

183