is toegevoegd aan je favorieten.

Ons eigen tijdschrift, 1928 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Storm-echo in het duin.

Vóór-lentedag.

Als door veel glazen platen mist het weifellicht En schept geheimen-sfeer van een aquarium. De regenzware dag heft 't blinde aangezicht, Bedroomt, met fijne grijzen, het herbarium Der vale, dorre wintervelden.... Aquarel, Waarin de tinten dralen als van avondbei De sinderende nagalm, zoom van klankgewaad, Die slepend in den schemer om de huizen gaat.

De zonne-amber dampt door 't zijden nevelkleed, Doortrekt het wolkenbed, waar zon ligt weggedoken, Gelijk een goudstuk, dat in troeb'le vijver gleed.

't Is alles watergrijs Blauwwaas'ge einders rooken..

Daar schiet een vroege leeuw'rik los, en fluit, en fluit, — Een dwarrelblad op hoogen wind. — Van kluit, op kluit Tript kwiek de kwikstaart in de versche akkervoor, Getrokken door den ploeg, dof glanzend aarde-spoor.

Nu spoedig moét de droomcocon toch opengaan: O, 't zoete wondere zal weer hergebeuren! Glashelder klinkt zoo blij het pinkend vinkenslaan. Het blinkend kouter gaat de velden openscheuren.

Fotografie van J. de Boer.

Straks schrijdt de donk're zaaiman achter 't eggend span, Bevrucht de dommel-akkers. En uit winterban Staat weldra alles op, viert de verrijzenis, Gewekt door zonklaroen, omdat het Paschen is.

J. G.

De komst.

En nu de lente dra weer wordt geboren gaan ver en hoog de louterluchten gloren. Over de heiden, eindelooze velden waren de zonnebundels, die vertelden

aan iedre heidebloem: zij is gekomen. Stil lei de- einder in een wondervrome ontvangenis, de vage nevels wijken, de horizonten zijn geopend, prijken

in gulden gloeden t' avond, bij het dalen der zon. En als wij, armen, dwalen in dit geluk, ons hart ervan bevangen dan zijn wij heilig in ons nieuw verlangen.

Willem Brandt.

184