is toegevoegd aan uw favorieten.

Limburg's jaarboek jrg 31, 1925, no 3

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 72 —

voor 't onderhoud der kapel. Men weet, dat men in dien tijd meestal geen geld, wel vruchten vermaakte.

In 1535 werd eene Vrijdagsche Mis gesticht, ook werden de diensten der kapel geregeld.

In 1550 maakt heer Jan van den Boshuysen een altaarsteen en bekleedselen aan de kapel en aldus loopen de giften regelmatig door. Anno 1599 wordt het beeld in processie omgedragen.

MEUBILEERING DER KAPEL.

In de chronijken staat dat „van alde tiden de kapel van Oostrum was eene platse van groete devotie ter eere van de heylige Moeder Godts en Maget Maria, die zeer placht gevisiteerd en bezocht te worden door al de kwartieren van Gelderland" (Oppergelder). Hoe de kapel er uitzag in Juni 1665 kan men het beste zien uit een inventaris, opgemaakt door de wed. Oliveer-Puijtens, kostersche, en overgeleverd aan den nieuwen koster Arnoldus Janszoon Schreurs, ter presentie van schepenen en kerkmeesters. Aan kerksieraden en kleederen bezat de kapel: vier alben, negen amicten, drie cingels, vijf casuls, twee dienrocken, een kelk met pateen en lepeltje, acht kelkdoeken, vijf corporalen, vijf velums, te weten zwart, groen, blauw, rood en geel, drie ampullen, drie kelksackskens. Verder veel altaarlinnen.

Het mirakuleus beeldje en het Kindje droegen toen een zilveren kroon, een zilveren keten met een groot zilveren Agnus Dei, nog een zilveren keten met een dito penning, ringen, rozenkrans, kleederen van violet, scharlaken zijde en andere stoffen. Op het altaar waren vijf koperen luchters en drie koperen hangluchters in de kapel en meerdere tafelluchters, twee crucifixen. St. Anna had maar één kleed. De groote Lieve Vrouw had er drie en meer andere sieraden.

Er waren ook zes ringen aanwezig voor de bruiden bij de processies. Verder vond men er een wij waterketel, een lavoor of waschbekken, twee vaandeltjes, een gedraaide zwarte biechtstoel, een ijzeren weegtoestel.

Door Roermondsche beeldhouwers werd in de vorige