is toegevoegd aan uw favorieten.

Limburg's jaarboek jrg 31, 1925, no 3

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afvloeiing, noodig om den plantengroei te bewaren en te onderhouden, was onregelmatig. Het water kon niet zakken en ook niet door den omringenden dam. Zoo vond er verzuring plaats, waarover de wind boom-, heesterzaden en dennenzaad voerde en een dicht bosch deed ontstaan. Ook het berkenhout wies er welig.

Toen onderging de Peel een geweldige verandering. Een vreeselijke noordwestenstorm velde het geheele bosch en sloeg de boomen alle in één richting ten gronde. Onder het vallende hout werd de oeros begraven, en het hert, waarvan men de reusachtige hoornen nog in het veen vindt.

Een reusachtige brand, wellicht door het hemelvuur ontstoken, verwoestte daarop tijdelijk allen plantengroei. Een tijdperk van rusten en vergaan volgde. De waterafvoer was nu geheel gestremd, de streek werd natter en het rijk der waterplanten begon. De lokplant, eene taaie, lange gespierde grassoort verdrong al de andere planten. Uit haar ontstond door bezinking het losse bovenveen.

Een volgende laag werd weer door andere planten geleverd en nu ligt het veen in verschillende lagen op elkander, hoog en droog, meters boven den gewonen waterspiegel van den omringenden bodem.

In de vroeger zoo slecht befaamde streek is leven gekomen. Wat de natuur daar opsloeg, heeft men weten te exploiteeren en duizenden handen verdienen daar nu hun brood, terwijl enkele ondernemers en vreemde maatschappijen daar, met groot kapitaal gewapend, de schatten aan den bodem ontwoekeren.

Vroeger toch was het veen bijna waardeloos. De boeren staken voor eigen gebruik turf en voor een kleinigheid kon een ieder er maar op los steken, zooveel en zoo weinig hem lustte. Daardoor zijn de zoogenaamde boerengaten ontstaan, modellen van onoordeelkundige exploitatie. Wel moet ter verschooning aangevoerd worden, dat de goede plaatsen vroeger moeilijk te bereiken waren en men al moest werken zooals dat kon.