is toegevoegd aan uw favorieten.

Limburg's jaarboek jrg 31, 1925, no 3

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 96 —

Veer 200 M. breed ; verder op waren de oevers, zoogenaamde markegronden,ofallemans - nieuwe — waard, op de eene plaats breeder dan op de andere. Vóór 25 jaren wist niemand recht, waar hij zijn perceel moest zoeken. Tot St. Barthelomeus mocht allemans vee grazen, later als er iets te maaien was, maaide men raak, de eersten maaiden het beste en de laatsten konden pummel maaien, wat niet zelden ongemaaid bleef. Die toestand gaf niet zelden tot twist en tweedracht aanleiding. Omstreeks 40 jaren geleden wist wijlen C. L. van Riet, Notaris te Deurne, die te Liessel vooral veel invloed en menigeen onder den duim had, de onderlinge verdeeling tot stand te brengen. Door ruwe palen van boomtakken ± 75 a 80 cM. boven den grond op ongelijke afstanden geplaatst, werden de grensscheidingen voorgesteld.

Om tot de Hoolzoei terug te komen: even boven de particuliere eigendommen vindt men deze terug. Ze moet vroeger zeer breed zijn geweest op plaatsen tot 40, 50 meter, thans noemt men het „de leggen". Deze naam komt zeker daarvandaan, dat er op den nagenoeg waterdunnen modder des zomers een korst kwam. die met spierachtige lussen tusschen biezen en veenmos begroeide, waardoor het den schijn kreeg, alsof 't vast land was, maar wee als zich mensch of dier op die „leggen" durfde wagen. Eens had iemand eene neije koe gekocht, die in deze „leggen" onbekend was; zij wilde er op grazen, maar zonk spoedig naar beneden ; er af krijgen scheen onmogelijk. Na lang tobben kwam veel volk op de been, onder wie Jan de Willem Moes, die, toen oud, in zijn jeugd koeherder was geweest; deze wist spoedig raad. Hij liet groote sterk begroeide zoden aanbrengen en naast elkaar leggen twee rijen en eene daar midden over heen. Op handen en voeten kroop hij met zijn buik op den zodendam liggende voort, totdat hij den staart der koe te pakken kreeg, waarop hij uit alle macht begon te bijten en te kauwen. De koe dit ongewoon gekriemel gewaar wordend spande al hare krachten in en binnen weinig tijds was ze op vasten bodem en ging zonder ommezien aan den haal.