Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 116 —

kamers en het lossen der salvo's, 't Was echt feest in Rooy.

Te midden van al die heerlijkheid waren ze beiden plotseling geschrokken, want tusschen al die menschen stonden ze plotseling voor Hannes' eigen boer en meester.

„Mer, Mer, Hannes", had hij met een half ernstig, half lachend gezicht gezegd, en had daarbij de pijp uit den mond genomen, wat altijd een bewijs was van groote belangstelling, „hedde geej ok alwa an den èrm hange?" En, had hij er dadelijk bijgevoerd, „van wie ziedde geej ?" zich tot Marie wendend. Onversaagd antwoordde deze: „Ik zie van Nilles Hanneze Grat van Klein Durp op Roefes plats," in eens het geheele overzicht van familie, vader, grootvader en stamboerderij gevend. Dat was voor den boer als een openbaring. Hij had Grat goed gekend ; die had de kaneda's nog bij hem gesnoeid, ook Nilles nog op Roefs boerderijtje. Terwijl ze zoo stonden te praten kwam met veel vertoon de groote schuttersgilde aangemarcheerd. De trommen overbromden alle gesprekken, het zilver van den Koning blonk en schitterde in de zon. Het volk drong geweldig. De groep werd eenvoudig weggedrukt in de dooreenwoelende menigte. MaarHannes hield Marie met, de hand vast en trok haar buiten 't gewoel. Het was hem te druk. De boer had zijn toevlucht in de Zwaan gezocht. Hannes kon dat dringen en dit benauwende opeenpakken van menschen niet lijden ; zelfs van zijn schapen niet.

Zij waren hun „kompanie" kwijt geworden, en vierden alleen feest. Op tijd ging 't weer op „Ostrum" aan. Onderweg vertelde hij haar van zijn schapen, van zijn hut, van zijn daalders in den kous in de kist, en vroeg haar schertsend of ze niet met hem in de Peel zou willen wonen. Ernstig had ze hem geantwoord, „worum nie ? mit ou gaoj ik de welt uut F' Dat had den vereenzaamde getroffen, en die hartelijkheid van de jeugdvriendin deed al de harmonische snaren van zijn gemoed trillen.

De sterren stonden al lang te flonkeren aan den donkerblauwen hemel, die wel fluweel leek, eer hij op de hoeve terug was. Hij sliep gerust en trok in den vroegen morgen

Sluiten