Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANVANG VAN HET JAAR 1817.

47

De kommerlooze vreugd werd woelig uitgedrukt Door zang en dans, op ftraat en wegen;

't Gejuich der kinderfchaar, door Nieuwjaarskoek verrukt, Verloor zich in der armen zegen.

Elk pronkte in 't zondagskleed, met nieuwen zwier getooid,;

Met hoeden, rijk bepluimd, of tr.otsch met lint omplooid, En pelzen, zwaar van fabelranden.

Dus, uitgedost naar ftaat en rang, bragt elk, vol moed,

Aan bloedverwant en vriend een' blijden Nieuwjaarsgroet, En knoopte op nieuw de teêrfte banden.

'k Heb, met den rozenblos der kindsheid nog verfierd*

Vaak in den kring van dierb're magen, Ook 't laatfte tijdftip van een ftervend Jaar gevierd,

Wen 't middernacht-uur had geOagen. O, ja S dan was de klank van 't klokflag ras verfmoord In vrolijk feestgejuich, flechts zeg'uen werd gehoord,

En tweedragts toorts, waar ze immer gloeidej, Werd in de lijkbus van het ftervend Jaar gebluschtj Terwijl vergiff'nis, liefde en zal'ge zielerust

In der verzoenden boezem vloeide.

Maar de Eeuw der feesten vlood, en fchoon de Geest nog leeft,

Hij heeft noch invloed meer noch krachten, De Geest der glansrijke Eeuw, die hier zijn' wetten geeft,

Leert kinderlijk genot verachten. Dat vrij het dom gemeen zich ijd'le feestpraal flichti.. Wij zijn te fijn befchaafd... wij —zijn te rijk verlicht....

Geen dag verheft zich op zijn' waarde..'

Zoo fpreekt deGeest der Eeuw.—Maar trotsch op't oud gebruik, Schudt Louwmaand— fel misnoegd — zijn' witbefiieeuwde pruik,

En viett op nieuw den loop der aarde.

Sluiten