Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BEDERF DER TIJDEN.

6j

bijzonderheden in onze wijze van denken en doen, en is, hoe het ook zij, onze aandacht zeer wel waardig.

Als wij de Dichters raadplegen, is de zaak fchielijk uitgemaakt, hunne gouden eeuw is met onze tijden, hunne Arkadia met onze gebrekkige wereld op geen' eenen da er te noemen- Maar de geheele wereld erkent dat dit louter verdichtfelen zl'n, en de geheele wereld helt echter over, om de.vroegere tijden boven de latere te Hellen. Wat mogen de redenen van dit zoo algemeen en gunftig vooroordeel voor de Oudheid wezen? Ik denk de volgende.

Als de menfehen de tijden vergelijken, nemen zij niet de geheele wereld tevens in aanmerking, maar Hellen eenig land of volk tegen een ander, en altoos Hellen zij het beste tegen het flechtile, omdat zij gemelijk zijn, als zij deze vergelijkingen gaan maken. Dus hooren wij dagelijks zwakke, zwaarmoedige, te leur gefielde lieden , knorren over de verbastering der eeuwe, en de gebruiken van hunne jeugd boven de tegenwoordige Hellen, omdat zij minder gefehikt voor dezelve zijn geworden; zij veroordeelen de wereld omdat zij er geen ver.naak meer in hebben, en vinden de zeden der eeuwe Hechter , omdat hunne vaste deelen verzwakt of hunne vochten bedorven zijn. Dit is eene aanmerking die elk op de minde overdenking voor den geest komt, en die de meesten onzer Lezeren wel eens gemaakt zullen hebben. Maar daar is eene andere die zich niet even fchielijk vertoont.

Als wij de onderfchelderie koningrijken en republieken in de wereld afzonderlijk befchouwen, zien wij, dat de meesten derzelve in het begin deugdzaam en welvarende zijn geweest, maar allengs verbasterden , naarmate zij ouder werden; tot dat ten laatfte de weelde, dartelheid, luiheid, baatzucht en ontrouw de plaats der vorige matigheid, werkzaamheid, eerlijkheid gehcellijk innamen, en de bedorvcne volkeren in hun uiterfte verderf nederftortten. Dit bepaalde denkbeeld van een land, brengt men onvoorzigtig over tot de wereld in het algemeen, en' men befchouwt den ganfehen aardkloot insgelijks als in zijne jeugd, in zijne mannelijke jaren, en in zijnen afw gaanden leeftijd, welken men vastftelt, dat, even eens als in onze ligchamen, en in bijzondere Haten, zwak, gebrekkig, bedorven wezen moet.

Men bedenkt ondertusfchen in deze redenering niet, dat de eerst opgerigte maatfehappijen, door verfcheidene E a Di3-

Sluiten