is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Mengelstukken), no 3

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tl6 IÉTS WEGENS HET ROPPEN.

eilanden nog Merk in zwang; en er is over deszelfs theorie, zoo onder mannen van wetenfchap, als onder de'Landbouwers zelve, veel gehandeld. _De Scheikunde alleen kan daarover beffisfen, en ik vlei mij, in ftaat te zijn, om daaromtrent voldoende ophelderingen te geven.

De zelfftandigheid van allen gemeenen teelgrond beftaat uit een of ander mengfel van de oorspronkelijke aardfoorten en ijzerdeeltjes; en de aardfoorten trekken elkander in zekere mate aan. Om deze aantrekking uit haar eigenlijk oogpunt te befchouwen, heeft men alleen noodig, het zamenftel van een' gemeenen keiachtigen fteen te ontwikkelen. De veld/path, bij voorbeeld, bevat keiachtige, aluinachtige en kalkachtige aardfoorten, gefixeerde alkali en ijzerdeeltjes, welk alles zich', uit hoofde van deszelfs onderlinge chemifche aantrekking , tot eenen klomp vereenigt. Laat die fteenloort tot een allerfijnst ftof vermalen worden, dan wordt zij eene aan klei gelijkende zelfftandigheid. Als nu dat ftof zeer heet wordt gemaakt, fmelt hetzelve; en, laat men het nu wederom verkoelen, dan vormt het eene zamenhangende masfa, welke aan den oorfpronkelijken fteen gelijkt, en hangen de deelen, die men werktuigelijk yaneenfcheidde, ten gevolge van de chemifche aantrekking, wederom zamen. Wordt het ftof minder fterk geheet, dan hangt hetzelve minder vast zamen, en de deeltjes vormen een gruis, dat, fijn gemaakt zijnde, met zand overeenkomt.

Vergelijkt men het onderfcheiden vermogen dat het tot ftof vermalen veldfpath vóór en na het heeten, of gloeijen, heeft, om vocht uit den dampkring op te nemen ,

viRGiLius; niet Hechts bij het ontginnen van bosfclien en heidvelden, maar ook ten aanzien van land, welks oppervlakte veenig was; en ook hieromtrent kan, even als ten opzigte van het fnoeijen, iets toevalligs den weg hebben gewezen. Er verbrandden althans reeds heel vroeg, aan den Rijn en elders, hooge veenen van eene verbazende uitgeftrektheid; en zoodanig iets kan nog veel vroeger in het heerlijk bebouwde Lièye zijn gebeurd; uit welk land die aristaeus h«rkomftig was, van wien Grieken en Romeinen, en vooral virgilius, hunne Landbouwkunde afleidden.

Vertaler.