is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Mengelstukken), no 5

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIJNE LEVENSSCHETS. 303

dit zoeken naar een beftaan ging dikwerf met tegenzin, met verveling verzeld, vooral als het mij, naar mijne gedachten, van mijne vermaken terug hield , of ik dezelve te lang moest misfen. Zoo doorleefde ik mijne

jongelings - jaren-

Nu werd ik een man, onafhankelijk, zoo ik meende van iedereenen, en kon en moest nu voor mij zeiven voor mijn beftaan zorgen; doch met mijne jaren met mijne gewaande onafhankelijkheid — geen mensch'toch is onafhankelijk — vermeerderden mijne zorgen en beflommeringen. Ik vond het geluk niet, dat ik mij had voorgeftejd. Nieuwe wenfehen, nieuwe begeerten ontftonden in mijnen boezem. Dat, wat ik. als kind, teeder had geliefkoosd, befchouwde ik met afkeer, en moest dikwerf lagchen op de gedachten; wat bemint een kind al niet! Wat ik, als jongeling, had bemind, vurig begeerd, werd mij tot eenen afkeer en walg, en ik kon mij dikwerf, wanneer ik mijne jongelings-jaren in mijn geheugen terug riep, verwonderen, hoe ik, als jongeling dikwerf genoegen gezocht, en ook, zoo als ik meende, gevonden had in kleinigheden.

Hoe ouder ik werd, hoe fchielijker de tijd, zoo het mij toefcheen, voorbij fnelde. Wat mij als kind eene eeuw, als jongeling een jaar, en als man een dag fcheen te zullen wezen, was nu flechts een oogenblik, en nog — nog had ik het beftendige geluk niet gevonden, er ontbrak dan het eene, dan weder het andere aan. Mijne jaren klommen, mijne haren werden zilverwit, en ik was een grijsaard, vóór ik er om fcheen te denken. Nu begon mij alles, van lieverlede, tot eenen last te worden; ik werd nu en dan knorrig, en bedilde veeltijds, zelfs de onverfchilligfte ^aken, en zeide dan, met veel eigenwijsheid bezield: — in mijne jeugd was het toch anders^ en men zou toen zoo niet heb* ben gehandeld. Ik vergat, dat de menfehen zich meestal gelijk blijven. Door mijne bedilzucht werd ik een last dikwerf voor anderen, daar een vrolijke ouderdom integendeel veel oplevert, dat ons zeiven en anderen ten , genoegen (trekken■ kan, doch hieraan dacht ik niet, ik vergat dit, >

Mijne ligchaamskrachten zijn nu afgeftreden, mijne leden beven, mijne fchreden waggelen; mijne geftalte kromt zich bukkende naar de aarde, en ik treed, afgemat, afgetobt en afgeleefd, naar het ftillc graf, naar

de