Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOOGENOEMDE DEUGD VER BOND IN DUITSCHXAND. 215

de verdandelijke en zedelijke geestvermogens onder een volk, dat door Staatsrampcn ter nedergeflagen was, bedoelde, is gewisl'elijk gansch iets anders dan eene Handels-Maatfchappij ■> die door het opmaken van het credit en debet in hare boeken elk oogenblik de balans opmaken, en met eene Wiskundige naauwkeurigheid aanwi zen, kan, wat zij gewonnen of verloren heeft. qod alleen kan weten, bij hoe vele perfonen, en in Wclk eene mate de gezegde vermogens opgewekt zijn geworden, en wat die opwekking naderhand, toen het er op aan kwam, tot de algemeene- geestdrift des Pruisfifchen volks toegebragt hebbe. De Schrijver weet flechts, dat het Verbond vele hongerigen gefpijzigd, en velerlei anderen nood verzacht heeft, dat vele Leden niet flechts geld en goed, maar ook bloed en leven, daaraan opgeofferd hebben, dat zij zich gewillig het genot van huisfelijke vreugde ontzegd, moeijelijkheden verdragen, en gevaren getrotfeerd, hebben. Heeft het Verbond niet meer uitgerigt, dan mogen deszelfs tegenftanders zich zeiven afvragen, hoeveel deel zij zelve-, door hun tegenwerken en zaaijen van wantrouwen, hieraan hebben. Wil men intusfchen het bovengemelde niet op rekening van het Verbond in het algemeen dellen , maar op die der bijzondere Leden, die het ook buiten het Verbond gedaan zouden hebben ; zulks ftaat een ieder vrij. De nog levende Leden van het overle» dene Verbond zullen overigens wél doen, met van hunne werkzaamheden niet hooger pp te geven ., dan betamelijk is, en zich althans niets (gelijk hun ergens verweten wordt) leugen achtig^ aan te maligen, maar zulks vooral niet ten aanzien van den roem des volks te doen. Want befcheidenheid en waarheidsliefde zijn ook deugden waarnaar gij hebt te dreven; en wilt gij opregt zijn, dan moet gij erkennen, dat de daden ver beneden den goeden wil gebleven zijn, zoo als het wezenlijke deeds beneden het denkbeeldige blijft. Voor het overige zult gij ook wel weten, dat, als de wereld met ondank loont, en in haar geluk datgene verlaat, of zelfs veroordeelt, waarnaar zij in haar ongeluk als naar een redmiddel greep, dit flechts de gewone gang der dingen is, waardoor men noch mistroostig, noch het goed doen moede, behoort te worden gemaakt. Want hij, die voor eene goede zaak niets wil lijden, O 4 moet

Sluiten