is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Mengelstukken), no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GESCHIEDENIS VAN PATER. NICOLAAS. 309

doorboren, en nevens ben mij zeiven om te brengen; mijn arm, door de wanhoop beftuurd, was tegen den boezem mijner echtgenoote en kind gewapend, wanneer het zijne kleine vingertjes losmaakte en eenen der mijnen aanvatte. Deze zachte drukking drong mij door het binnenfte der ziel; ik voelde mijn hart verteederd. Zwemfflende in tranen, maar te zwak om mijn ongeluk bekend te maken, verliet ik het vertrek, en mij naar een afgelegen hótel, in eenen anderen hoek derftad, begeven hebbende, fchreef ik met eene bevende hand eenige regelen aan mijne vrouw, om haar van mijn ongeluk en mijne buitenfporigheden kennis te geven. Ik onderrigtte haar van mijn befluit, om op het oogenblik Frankrijk te verlaten, en niet eer deszelfs grondgebied weder te betreden , alvorens mijn berouw mijn misdrijf uitgewischt, en mijne vlijt mijn verlies, en de ellende welke ik haar berokkend had, vergoed zouden hebben. Ik eindigde met haar en haren zoon aan de goedheid' mijner moeder, en aan de befcherming van den Hemel , dien zij nimmer beleedigd had, aan te bevelen.

„ Dezen brief afgezonden hebbende, verliet ik Parijs, en liep verfcheiden uren gaans eer het dag werd. Bij het opgaan der zon werd ik op den weg naar Bres* door een rijtuig ingehaald; ik ftapte in hetzelve zonder eenig bepaald befluit te nemen. Zonder een enkel woord te fpreken , plaatlie ik mij in eenen hoek van den wagen. Dien dag en den volgenden, vervolgde ik werktuigelijk met de overige reizigers mijnen weg, zonder eenige rust of voedfel te kunnen genieten; maar des avonds van den tweeden dag gevoelde ik mij geheel verzwakt en afgemat. Aan de eerfte herberg gekomen zijnde viel ik in onmagt. Men bragt mij te bed, geloof ik; hier werd ik aangetast door eene flaapziekte met koorts verzeld, en bleef meer dan acht dagen liggen.

„ Een liefdadige Monnik van de orden, waartoe gij ziet dat ik thans behoore, was destijds in de herberg; hij betoonde mij alle hulp en oppasfing. Toen ik aan de beterhand was, deed die goede oude man alles wat hij vermogt, om den troost der Godsvrucht in mijne ziel te ftorten. Door zijne zorgvuldige rnenschlievendbeid was ik in ftaat gefteld, de verfche lucht aan het venfter in te ademen. Op eenen ochtend hield dezelfde postwagen, waarmede ik gekomen was, voor de herV 3 berg