Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NUTTELOOZE VERKWISTING IS VERACHTELIJK. 377

heid daarmede te bedekken. — Deze dwaas verteerde al zijn geld in weinige dagen, en keerde zoo arm naar den Meidaan terug, als hij te voren was geweest, naakt en behoeftig. Het geld blijft .nier in de hand van den verkwistenden bedelaar, even zoo weinig als het geduld in het hoofd van' eenen verliefden zot, of als het water in eenen doorboorden 1'chotel. — Vorden worden toornig, ais men iets van hen cischt; en hij is de gunst der Koningen onwaardig, die hunne giften en gefchenken niet weet te bewaren tot in den tijd van nood, of te fparen tot den tijd van gebrek.

De Koning gehoord hebbende, dat de bedelaar naar Mofoul was wedergekeerd, en zich voor zijn Paleis bevond, deed denzelven wegjagen, dat hij doorging, dewijl hij, in zoo weinige dagen, zooveel verkwist had; en de Schach fprak toen: het zijn zotten en verftandeIpozen. die de lamp laten branden, wanneer de zon, op den vollen middag, helder fchijnt, want dan ontbreekt hun da olie in den nacht, als zij denzelven het meest noodig hebben. — Uwe woorden zijn waarheid, mag» tigde Koning! zoo antwoordde de Athemad üaulet (de opperde Rijksbeduurder): Men moet de armen geven , hetgeen, wat haar nood vordert, doch met mate en verdand, opdat zij niet in eens al onze giften verkwisten. Heeft men eens onverdandig gehandeld, en hun in eens alles gegeven, dan is het onregtvaardig, om hen met geweld weg te drijven, want onze is de fchuld. — De Koning moet geene menfchen met woorden en beloften, maar met daden fpijzigen; want worden zij een' tijd lang door de hoop gedreeld, en worden zij dan'eindelijk bedrogen, dan geraken zij in twijfeling en wanhoop, hetwelk het grootlle ongeluk voor den mensch is. — Een Vorst kan of mag het niet verhinderen, dat men iets van hem eerbiedig verzoekt; maar hij moet zich ook mild tegen den braven, en gierig tegen den onwaardigen betoonen, dan wordt hij van zijne onderdanen geliefd, bemind en: geëerbiedigd. Niemand wil in de woestenijen van Arabic wonen, waar niets dan zout water te vinden is. De menfchen, de vogelen en allerlei dieren zijn gaarne bij eene bron, die zoet water opwelt, om hunnen dorst te lesfchen. -— Zoo fprak de Athemad Daulet en zweeg, terwijl de Schach in verwondering uitriep: „gij fpreekt woorden der waarheid! 5'

Aa 5 Leer

Sluiten