is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Mengelstukken), no 9

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het ligchaam van den mensch. 39?

waarfchijnlljk te houden, dat een viervoetig dier, een' Lintworm 'bij toeval in het water ontlast hebbende, en daarin beltaanbaar zijnde, door dezen of genen visch Ievend is ingeflokt geworden; aangezien deze foort van Lintwormen, welke bij den mensch en eenige viervoetige dieren gemeenzaam voorkomt, indien ooit, dan toch zeer zeldzaam bij visfchen wordt waargenomen; terwijl die Worm, welke den visfchen eigen is, nimmer nog bij menfchen ontdekt is. Dat, ten andere, de veelheid van Wormen, met den overdaad van visch gepaard gaat, brengt even zoo weinig tot overtuiging dier meening te weeg, als het voorafgegane; want de Öijmachtige aard en natuur van dat voeeifel in aanmerking nemende , moet hetzelve, op den duur en in overdaad gas* bruikt, eene onvermijdelijke verzwakking en verfiijtning van het darmgeftel ten gevolge hebben; en in diervoege, zoo als bij den öorfprong der Wormen, in het algemeen, opzettelijk ftaat gemeld te worden , als eene aanieidende oorzaak, niet zoo zeer onderfcheidenbk tot den Lintworm, als wel, ter worm - ontwikkeling in het algemeen, befchouwd moet worden; weshalve, uit aanmerking van het verhandelde, deze en gene Hellingen ongegrond zijnde, is het almede de öorfprong der Wormen "in het algemeen , die deswege nader uitfpraak doet.

Kauwoerswormen. Betreffende den öorfprong van deze Wormen, in het bijzonder, zoo komt de meening Van borellus, dienaangaande, beuzelachtig voor: dat, namelijk, die Wormpjes, welke in het bloed voorhanden zijn, ten einde hetzelve, naar zijn zeggen, van al, wat onrein is, te zuiveren, bij derzeïver verplaatfmg'in het darmkanaal, in Kauwoerswormen zouden herfchapen worden. Deze Wormen ook, buiten het dierlijk ligchaam, niet beftaande, en nergens el Iers, dan alleen daarin voorkomende , hebben wij derzeïver aanwezen, aan de eigene bron van die der andere foorten, te wijten.

Na alzoo iets van den öorfprong der Wormen, voor zoo verre iedere foort in het bijzonder betreft, verhaald te hebben; edoch niets bcflisfends daarin voorgekomen zijnde, ftaat het nader te bezien, wat er ons, de öorfprong der Wormen, in het algemeen, van zegt.

Met terzijdeftelling van alle aanmerkingen, op eene menigte ongegronde en nietsbeduidende vooronderftellingen der Ouden, nopens den öorfprong van de Wormen,

die