is toegevoegd aan uw favorieten.

Limburg's jaarboek jrg 32, 1926, no 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit het Limburgsche Volksleven.

(Vervolg van bis. 90, XXXII Jaargang).

UIT DEN RIDDERTIJD.

Met een grooten zwaai en snelle wieling liep de Maas van de steenen versterking Merum en den kort daarbij gelegen opgeworpen Drususberg door de verschillende geulen van het lage weiland naar eene tweede versterking, naar Horn, waar de rivier, door den hoogen oever of het Schoor gedwongen werd haar loop weder plotseling naar rechts te richten.

De sterkte lag juist in het midden van den boog, of den hoorn, waar men de komende en opgaande schepen kon gadeslaan en ze zoo noodig aanhouden. De bezetting had daar zelfs een gelofte-altaartje aan de beschermgodinnen der streek gewijd ; tumuli of begraafplaatsen in de nabijheid bewezen, dat de wereldveroveraars zich daar evenals op Meleborg thuis gevoelden.

Maar niet alleen deze bewijzen, maar ook de zware ommuring der sterkte, rustende op aaneengegoten veldkeien en rotsblokken, zoowel als de ronde vorm doen denken aan het werk van een Romeinsch krijgsbouwmeester. Het is gelijkvormig aan de hooggelegen verschansing te Kessel, meer benedenwaarts.

Om verzekerd te zijn van de verbinding van Tricht met Noviomagum of Nijmegen en de tusschengelegen kwartieren Meleborg, Asselt, Kessel, Blariacum of Blerick, Arcen, Afferden en Ceucum of Cuijck moesten ze wel steenen kasteelen op de waarnemingspunten bouwen, om zeker te zijn niet verdreven of vermoord te worden door de inheemsche, strijdbare stammen, de Eburonen, de Menapiers, de Gugerni, die het den zuidelingen erg lastig konden maken. Eene dergelijke verdedigbare plaats was te Horn gelegen.