is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Mengelstukken), no 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

438 leerrede over jezaja IX: Hb. en 12.

Israël, of past ook op ons, hetwelk van hen gezegd werd: êit volk keert zich niet tot dien., die het jlaat;

naar den heer der Heerfcharen vragen zij niet? .

Ja, wij klaagden, en wij morden; wij verhitteden' ons tegen elkander; wij ontftaken in toorn tegen onze vijanden; en velen raasden en vloekten op hen, die zij voor de bewerkers dier onheilen hielden, de een op dezen, de ander op dien, maar wij zagen de hand des Heeren niet, of zoo wij die al zagen, wij bukten niet voor dezelve neder. Gelijk de hond op den (teen of op den Hok bijt, en niet let op dengenen, die hem daarmede werpt of flaat, zoo vergramden wij op de werktuigen, waarmede de hooge god ons bezocht, maar wij zagen niet op Hem noch bogen ons voor Hem ootmoedig ter neder. Zelfs de zoo zigtbare roede van gods toorn, de man, welke gods verbolgenheid eenen ftok in de hand gaf, om de Vorlten te liaan en de volken met eene plage zonder ophouden te plagen, zelfs deze M. T. I toen hij ons met zijnen fchepter der goddeloosheid beheerschte, zelfs deze kon naauwelijks onze oogen zoo .ver openen, dat wij gods roede in hem zagen, en bukten voor dien god , die ons met deze roede van het hoofd tot de voetzolen toe zoo tuchtigde, dat er aan het ganfche ligchaam onzes Staats niets geheels overbleef; maar alles wonden was, Itriemen, en etterbuilen, niet uitgedrukt of verbonden, noch met balfem verzacht. —— • <

Telkens dus was het van • ons waar: dit volk keert zich- niet, 1 tot dien die het flaat, en naar den heer der Heerfcharen vragen zij niet.

Is het dan wonder, mijne Toeb. ! dat zelfs na de gezegende en grootc verlosüng onzes Vaderlands, nu ruim drie jaren geleden, zoo duidelijk door wonderdaden van Goddelijke alrnagt daargefteld, nadat de hooge god, niet door menfehenkracht of wijsheid; maar door het geblaas van zijnen adem, door winterkoude en vorst, de onoverwonnen en onoverwinnelijke legers van den Beheerfcher der volken, die zich een God der aarde waande, vernield, den ftok des drijvers en den fchepter des heerfchers verbroken, en al de volken gered en ons volk hérfteld had; is het wonder, dat nu nog de toorn van god niet afgekeerd werd; maar zijne hand Uitgeftrekt bleef om op nieuw te ftraffen ? >*—»

Wij juichten, ja, wij waren verblijd; wij zongen vro-