Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DEN DANK- EN BIDDAG, VAN l8 JUNIJ I817. 443

flindt. — Nog werkt en woelt in vele landen, op eene bedekte wijze, maar listig en krachtig, de verfchrikkeHjke geest des kwaads, die zoo vele hoofden verwilderd en harten bedorven, en Vorften en volken al die jammeren berokkend heeft, waaronder dezelve zoo lang en zwaar gezucht hebben, en welker bittere gevolgen wij nog fmartelijk ondervinden en misfchien onze kinderen nog lang ondervinden zullen. Wie weet, M. T.! hoe vele listige en kwaadaardige ontwerpen, overal in het verborgen tegen de regtvaardïgen, tegen de rust en den vrede der volken, tegen de Orde der maatfchappijen, tegen Godsdienst en deugd gefmeed worden, en hoe de dienaren des Satans zich als engelen des lichts vermommen en voordoen, om zoowel in de kabinetten der Vorlten, en in de hooge Raadsvergaderingen, als in de verzamelingen des volks, en overal die booze ontwerpen tot rijpheid te brengen! — Wie weet, welk een nieuw onweder in een ander werelddeel zamenpakt en broeit; en hoever dat zich uitftrekken en welke verwoestingen het ook in ons werelddeel aanregten zal! — Doch wat van dit alles geheel of gedeeltelijk waar moge wezen, dit althans is wel volkomen zeker: den Almagtigen zal het nooit aan middelen ontbreken, wanneer hij zijn heilig ongenoegen aan volken en menfehen betoonen wil. Duizende, duizende dingen zijn er, waardoor hij ons ftraffen kan, duizende, aan dewelke wij niet denken kunnen, of het minst denken; gelijk hij nu ons bezocht heeft door iets, waarop wij het minst bedacht waren. —

Wat dunkt U, M. T.! als wij dat alles ernltig bedenken , en als wij daarbij letten op den zedelijken toeftand onzes volks, dat bij al de rampen, die ons getroffen hebben en nog treffen, zoo weinig tot dien, die het flaat zich gekeerd , of naar den Heer der Heerfcharen gevraagd heeft; zouden wij dan niet, ook bij ons uitzigt in de toekomst, moeten vreezen, dat op ons de woorden pasfen: nog is de toom des Heeren niet af. gewend; maar zijne hand blijft, uitgejlrekt en opgeheven.

En is dat zoo, hoezeer, M. T.! zijn wij dan verphgt5 om nog heden te bedenken, wat tot ons behoud dienen kan! -—

En dat, mijne Medechristenen en Landgenooten!

wien

Sluiten