Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van slangen, wormen, en ongedierte. 485

foort van Israëlitifche Mythus is, blijkt uit de zaak zelve. Het is alleen door het jagen en Aagten der dieren dat hun aantal zoo ingeperkt wordt, dat zij ons, het voornaamfte en edelfte der zigtbare fchepfelen,, op wien gods hoofdontwerp en hoofdbedoeling ziet, niet ver. dringen. Daar moet derhalve gedood .worden ; en, daar ons ligchaam derwijze ingerigt. is , dat wij vleesch kunnen eten en verteren, zoo vak over deze wijs van ons ■het gedoode ten nutte te maken verder' geene bedenkelijkheid. Men leide nogtans hieruit, in fcherts. of in ernst, niet af, dat zoo ook de vermindering der menfchen door oorlógen noodzakelijk zij. Onvermijdelijk is zij gewis, gelijk god ook zelfs uitroeijende oorlogen heeft moeten bevelen. Maar god heeft niet bevolen menfehen te Aagten; Hij heeft niet in het algemeen bevolen, oorlogen te voeren; en de aarde heeft zoo veel onbebouwd en echter bebouw- en bewoonbaar land, dat de diepfte vrede nooit te veel menichen zou kunnen voortbrengen, dewijl zij zich Hechts zouden behoeven te verdeelen om elkander niet in den weg te zijn. Maar dat gebod van vleescheten zelf, onderftelt eenen tijd als de mensch geen vleesch at; en dus was het vóór den Zondvloed, wanneer de nog onverzwakte aante kruiden en vruchten droeg, die vele Aerkere en volkomencr krachten gaven, dan alle bloedige fpijs m ftaat is om ons te verfchaffen. Het is dus bewezen, dat, zelfs in de gevallen fchcpphig, na adam namelijk', eer de wereld nog in een' dieper' vloek wegzonk, nog geene of zeer weinige dieren, mogelijk Aeciits van kaïns afkomelingen, gegeten werden, en buiten tegenfpraak hing dit zamen met hunne geringere vermenigvuldiging en onfehadelijkheiu. Want, zoo de Aartsvaders zich tegen hen, als wij, hadden moeten verweren, zij waren er Hechter aan geweest dan thans. Adam moest wel heerfchappij voeren over de dierenwereld (Gen. U 28), maar eerst na den Zondvloed wordt gelegd: „Uwe „ vreeze en uwe verfchrikking zij over al het gedierte „ der aarde." (AU. IX: a-.)} namelijk, over het nu boosaardig gevvordene: en eerst na den Zondvloed Iezen wij van nimrod , den geweldigen jager. Indien naar gods eerfte inftelling de dieren ook fterfel'ijk waren, hetgeen men zeer wel in het midden kan laten, daar zij in matigen getale tot aan eene algeheele veran. dering des aardkloots voort konden leven en zich uit1 Hh a brei-

Sluiten