is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Mengelstukken), no 13

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5'9? SOCRATISCHE GESPREKKEN.

driet. Het fpijt ons, dat de zaak gebeurt, maar men is niet verftoord op bem die daarvan de onfchuldige oorzaak is. Hadt gij niet met agonistes gevvorfteld ? E. Ja; waarom vraagt gij mij dit ? S. Gij weet dat dit mijne redeneertrant is. Wie van u behaalde de overwinning?

E. Na lang, voet voor voet, zijne pogingen te hebben wederffaan, gleed mij, ik weet niet hoe, de voet uit; ik viel en hij maakte er gebruik van} om te zeggen , dat hij mij had nedergeworpen.

S. Waren er vele aaufchouwers tegenwoordig? E. Eene groote menigte, en van alletlei ftand. S. Ik vat het, evagoras ! en thans moet ik u fpreken, met die openhartigheid, welke onze vriendfchap van mij vordert. E. Wat wilt gij zeggen, socrates ? S. Ik wil zeggen, "dat de ware grond der zake daarin befbaat, dat gij er gevoelig over waart, dat men u overwonnen had; dit is de ware oorzaak van uw verdriet.

E. Het is waar, ik was befchaamd, en vertoornd, dat iemand, die gewoonlijk voor mij moet onderdoen, mij op dien dag, voor het oog eener talrijke vergadering, overtrof. Dit is , ik beken het, zeer 1'martelijk.

S. Ziedaar de bekentenis, welke ik van u verwachtte. Agonistes heeft u overwonnen , en gij begint u zeiven te overwinnen, e vagoras ! dit is nog veel fchooner. Er zijn fchouwfpelen voor den geest, zoowel als voor het oog. De befchouwing van den wedftrijd tusfchen de eigenliefde en de opregtheid, welke ik in uw binncnfle ontwaar werd, heeft mij zeer vermaakt. Een aardig gevecht tusfchen deze twee kampvechters, waarvan de een de buigzaamfte, de andere de fterkfte is. Er is geen uitweg, geene list, welke de eerfte niet zoekt en te werk Helt, om te ontkomen: en hij Haagt daarin maar al te dikwerf. Maar voor als nu, evagoras! is hij verkloekt, en ik, die de aanfchouwende vergadering voorftel, klap in de handen, tot een teeken van toejuiching , en zet u aan om uwe overwinning te voltooijen.

E. Wat blijft mij nu nog overig te doen, socrates?

S. Het is niet genoeg, dat gij uwe geheime fpijt hebt erkend; maar gij moet dezelve te boven komen.

E. Is bet mij mogelijk, ongevoelig over eene belee. diging te zijn ?

S.