Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets aangaande de recensie, enz,

eene geheele nieuwe uitvinding hefchouwen. Immers, de kunst, om de vruchtbaarheid der landen te bevorderen, door derzelver oppervlakte te branden, is, zoo als de Heer S. zelf aanmerkte, op zich zelve niet nieuw, maar algemeen en oud: die nieuwe eigen naam van Roppen, doet hier niet toe; want ook in het Engelsch heeit deze kunstbewerking een' eigen' naam: het is ook niet, het uitfnijden der zoden met den ploeg; want ook elders gebruikt men dit, of een dergelijk inltruroent, in plaats van het langzaam en rcoeijelijk affchillen met de fchop: is het dan het uitfteken van de halve zode des akkers, om de andere vore? maar dit hangt van de ge fteldheid der akkers af; en elders verkiest men de geheele zode te branden of met den ploeg af te fchillen.

De Heer S. Icheen ons, in het Voorberigt van zijn Verflag, zich met opzet hieromtrent voorzigtig en eenigzins twijfelachtig uit te drukken: „ Het Roppen, zo» „ als hetzelve in deze woldftreken verrigt wordt; heeft, ,, zoo wel wat de aanleiding, als de wijze van bewcrhing betreft, zoo veel eigenaardigs, dat hetzelve in„ derdaad als eene bijzondere en nieuwe uitvinding kan „ worden aangemerkt, en in zoo verre dus vertrouw ik,

dat zij algemeen verdient gekend te worden."

Maar j. molter heeft die wijze van het fchrale land vruchtbaar te maken, misfchien wel geheel zelf bedacht; allezins in eene ftreek, alwaar dezelve niet in ge. bruik was, in ongundige omdandigheden en ondanks de vooroordeelen zijner naburen, de eerde aangevangen en daarbij volhard; heeft er over nagedacht, proeven genomen en deze wijze van landbouwen een' eigen' vorm gegeven, waardoor ze een' eigen' naam verdient, en heeft ze, als het ware, tot een kunstmatig delfel gebragt; hij heeft hierdoor zijne eigene omdandigheden en de welvaart van zijn geheel omliggend diürict verbeterd , enz. - Zie hiet, wat hem in onze oogen allezins lofwaaidig, en de openlijke onderfcheiding van den edelmoedigen siccama, van de Commisfie van Landbouw, en van Z. M. den Koning, waardig maakt. Doen wij hem, met dat al, nog onregt, zoo zullen wij, daaromtrent nader voorgelicht, zulks gaarne trachten te verbeteren.

de recensent,

mm

Sluiten