is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Uittreksels en beoordelingen), no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

god W. GOEDE,

„ worden, en verftandsbefchaving, volmaking onzef krachten in het algemeen, gelukzaligheid, bevrijding „ van lijden, enz. moeten of voor hetzelve achterliggen, of mogen ten minfte Hechts in betrekking on„ zer beftemming tot zedelijkheid gezocht worden. Zijn wij nu overtuigd, dat het hoofd- of laatfte oogmerk onzes aanzijns in zedelijk goed zijn en onafgebroken ftreven naar heiligheid beftaat, hebben wij dit fteeds „ voor oogen, en zoeken wij hetzelve, met onver„ moeide pogingen, te bereiken: zoo zullen rampen of „ lijden ons zekerlijk nooit onverfchillig zijn; doch wij „ zullen, bij de bewustheid van ons onophoudelijk dreven naar deugd, toch weten (eigenlijker: gelooven „ kunnen , dat zij ons niet in de bereiking onzer beltem„ ming hinderen; maar dat deze zelfs door rampen, we;ke ons tot geduld, zelfoverwinning, grootheid van ziel, ftandvastigheid, en dergelijke, zoo veelvul„ dige gelegenheid geven, bevorderd wordt. „„Laat, j, zoo zal de waarlijk Godsdienftige mensch fpreken, „ „ laat mij van mijn eigendom, van mijne gade, van j, ,, mijne kinderen, van mijne gezondheid, beroofd „ worden i laat mij zelfs in den wanhopenden toe„ „ ftand komen, van geene huisvesting, geen voed5, „ fel, geen medemensen te vinden, die zich over mij „ „ ontfermt; ik zal grootmoedig lijden, wat ik niet „ veranderen kan, en fteeds doen, wat de wet van „ ,, mij eischt. God zal alles wel met mij maken, en, „ „ wanneer ik van dit aardfche hulfel en met hetzelve „ „ van de fmarten bevrijd word, die mij thans kwel„ ,, len, dan zal ik, in eene andere wereld, voortva„ ren met mij te veredelen en zedelijk beter te ?« worden."

Er is nog overig, dat wij de vertroostingen van den „'Godsdienst in zei/veroorzaakte, dat is, in zoodanige „ rampen gedenken, welke wij ons door zedeloosheidj „in de bewustheid dezer zedeloosheid zelve, berok„ kend hebben. Uitwendige of natuurlijke rampen wor,, den zeer oneigenlijk zelfveroorzaaktc genoemd: want „ vooronderfteld ook, dat men wezenlijk de oorzaakder„ zelve is, zoo is het gevolg onzer daad in de zinne„ lijke wereld toch altijd flechts toevallig, en men kan „ nooit beweren, dat er juist dit, en geen_ ander, had ,, moeten ontftaan, dewijl de ervaring nimmer eenen „ algemeen-geldenden en noodzakeliken regel oplevert-,

n vol-