Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

proeve, ten eetooge, dat ook de planeten, enz. 311

trent opoeven, en bepaalt zich voorts, na het middelpunt d?r ïem'ellche lichamen de zon namelijk bj frh-even te hebben, tot elke der tot hiertoe bij ons beSB% JS i» «et bijzonder, derzelver ftaudphats, Lootte" loop,: beweging en andere tot zijn plan dien<ti°reyenfchappen, zoo naauwkeung en volledig mogeS opfeS. Hieruit leidt hij voorts, af, dat het onmo-ell ï V al deze groote en kleinere hemelbollen woes e, ledige, nietsbetekenende en van ade leven en rldeUke werkzaamheid ontbloote dwaa fierren zo-, kn 5fn' en dat onze aarde, dat onmerkbare flipje der fcheppinge, alleen de zetel van leven, beweging cu werkkracht wezen zoude, hetwelk hem dan oo;; ais v.m zelf brengt om, in de tweede plaats, de vqornaamlte en bevattelijkfte redenen, voor de bewoning der planeten door levendige en redelijke fchepfelen te ontwikkelen.

In deze tweede Hoofdafdeeling toont de Schrijver vooreerst het mogelijke, ten tweede het waarschijnlijke eq eindelijk, ten derde, het genoegzaam zekere zijner [telling aan uit het navolgende zestal onderfcheidene bevvij^ zen: ö.) uit de onderlinge betrekking van de zon en e planeten tot elkander; b.j uit de overeenkomst der aardemet de overige planeten; c.j uit de algemeene bewoning van onzen aardkloot zeiven; d.j uit de deugden en voU maaktheden van den Schepper; e.\ uit de volllrekte ongerijmdheid van het tegenovergefteldegevoelen.en, eindeliik n uit eenige wenken der Goddelijke Openbaring l~ welke hij vervolgens in korte, maar zeer belangrijks bijzonderheden ontwikkelt. '

De onderfcheidene aanmerkingen betrekkelijk al het voorgaande, de derde en laatfte Hoofdafdeeling uitmakende, zijn zeven in getal, waarin hij nog eens, tot eene nog meer voldoende (laving van zijne fielhng a.) het verbazende groote van het planeetftel overweegt; t>.$ dat, gefield dat ook de planeten even als onze aarde, door redelijke wezens bewoond worden, hieruit geenszins volgt*, dat deze fchepfelen in alles gelijk zijn aan ons menfchen; maar dat c.) wij billijk mogen vastnetlen, dat op alle planeten en deelen der fc!ieppina m derzelver redelijke fchepfelen de grootfte verfcheictenneia heerscht; dat er desniettegenftaande cl.} ^^e' °f f planeten, als op onze aarde, de naauwkeungnc overeenflemoiing plaats heeft, tusfehen de grootte en natuurlijke gefteldheid dier hemelbollen en tusfehen derzerver ö V 4 be'

Sluiten