is toegevoegd aan je favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Uittreksels en beoordelingen), no 11

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49° J. V. GRAAF,

hunne harten hebben moet, waarbij zij dan ook biizonder tot deelneming worden opgewekt. Deze ftukken worden naauwkeurig ontwikkeld, en in eenen goeden zich zeiven door de geheele Rede gehjkblijvenden! ftijl voorgedragen, die de aandacht der toehoorders moest gaande houden. Hier en daar hebben wij uitdrukkmgen aangetroffen, in ons oog minder naauwkeurig en gepast: dus lezen wij in het Gebed: „ dat een hemelsch vuur voor de zaak van uw woord des lprekers hart ontvonke, zich van daar in ons midden rond verfpreide, enz. BI. 61: „ naauwelijks durf ik si vermoeden, dat onder ons iemand wezen zou, wiens „ onverfchilligheid den onwaardeerlijken Bijbel bloot „ voor ten kostelijk kamerfieraad houdt; — veel minder, „ wiens vermetelheid denzelven tot verachtelijk fcheur„ papier verlaagt;" dit is misfehien wat al te populair; - bl. 63 ontvangen cle toehoorders de volgende vermaning: „ wilt eiken Geest, welke in de wereld uitgaat, aan dit heilig Boek naauwkeurig beproeven-" deze uitdrukking is aan verkeerde opvatting onderhevig, en wij twijfelen zeer, of deze raad wel zoo ruimicnoots en onbepaald dient gegeven te worden, daar zeer velen, en veelal zulke lieden, welke er'het minst toe gefchikt, en dikwijls bevooroordeeld zijn, er op uit zijn om de Geesten te beproeven, of zij uit God zijn; die beproeving valt dan al dikwijls bij henzeer oimmftig uit, en kan niet anders dan nadeelige gevolg-en veroorzaken. Ook de uitdrukking „ onze lieve Heiland (in het Nagebed, hetwelk 8 Bladz. bedaar) bevalt ons niet; dit Epitheton, hoe dikwijls ook gehoord, en gelezen wordende, b. v. in onze Evangelilcne Gezangen , komt ons te gemeenzaam voor.

Voor het overige hebben wij onder de overgeblevene Lrnfrfeilen onder anderen deze opgemerkt: Bl. 10: voortefehjUetd. BI. 3d: „ais nog met de zalige leer des Cnnstendoms onbekend zijn," hier moet ^ingevuld, of zijn weggelaten worden. Bl. 4a: „ de allen zaligmakende genade Gods." Bl. 49: lijdfehap. Bl. 52: moedersfpraak voor moeder/braak. Bl. 55: „onzen bediening." Bl. 64: troosvolle. Eindelijk eenen taalkundigen misflag: den gouden kleinood, voor „ het gouden kleinood," daar dit woord onzijdig is. _ Dit alles doet echter minder af tot den wezenlijken inhoud en de waarde dezer Rede, in welke warme

be-