is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Uittreksels en beoordelingen), no 13

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ó24 C. PICHLER , AGATHOKLES.

„ grootfte, het oorfpronkelijke beeld, de Godheid 2ei.

ve, ftelde hij hen ter navolging voor, en welk een „ God is de God der Christenen! Het is geenszins een

hartstogtelijk. zinnelijk., aan alle menfchelijke zwak„heden en ondeugden onderworpen droombeeld, uit „ het menfchelijk brein voortgekomen, zoo als al de be„ woners van den ölimpus der Ou'en; veel min is het 5, een werkeloos aanlchouwer, die met de volkomenlte

onverfchilligheid alles in de wereld gaan laat, zoo als „ het kan, gelijk de Goden van Epikurus.

,, Neen, dit zij verre! Het is eene almagtige, alwe-

tende, alomtegenwoordige, een door zich zeiven van „ eeuwigheid beftaande Geest; die alles wat er is uit niets „ heeft voortgebragt, en het alleen gefchapen heeft, ter „ verheerlijking van zijne magt en liefde. De Geogoa, nie (* ') der Christenen is zoo eenvoudig als verheven, „ en oneindig bevattelijker en waarfchijniijker, dan de „ ftelfeis orzer Wijsgeeren dienaangaande: ja, ik durf 3, gerustelijk zeggen, dat men onder deze vergeefs zoe-

ken zal naar eene befchrijving wegens de wording „ der dingen, meer overeenkom Mig met al de natuur„ wetten , en het gezond verftand, dan die, welke de „ oude oorkonde der Christenen oplevert. Boven alle be. „ fchrijving fchoon en treffend, is de gefchiedenis van

hét zedelijk verval der menschheid, hetwelk" — — Doch, waarom zouden wij meer affchrijven ? want wilden wij al het fchoone opteekenen, dan moesten wij bijna dit geheele Werk overnemen, en dit verbiedt ons'de beperktheid van onzen tijd.

Op de vertaling hebben wij niets aan te merken; zij is zeer goed, alleen vinden wij in vreemde woorden wel eens eene verkeerde fpelling, b. v., Deel II, BI. 57 Spoliae optimae voor Spolia optima; BI. 136 ^Coloniae. Jgrippinae voor Coloma Agrippina; ook zouden wij (zie de aanteekening aldaar) de papierplant geenen heester noemen. Deel III, BI. 137, ftaat Gijnaceum voor Gtiiaceum; dit zijn wel kleinigheden, doch behoudt men in eene verfaling geheel vreemde woorden, zonder eenige verandering in de uitfpraak, dan moeten zij ook, onze? bedunkens, volgens de fpelling der taal, waaruit men dezelve overneemt, gefchreven worden.

Gefchiedenis van het ontdaan eu de vorming dei audbols."