is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 2

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BESCHRIJVING VAN JAVA.

6$

Huurders der provinciën en andere hooge ambtenaars dragen» is in de Oud -Vriesfche manier, die voor een paar honderd jaren ftand greep.

De kleeding der voorname vrouwen verfchilt van die der geringere minder in vorm dan wel door meerdere fijnheid en door de verfiering van gouden knoppen en ringen, die met kostbaar en gekleurd gefteente bezet zijn. Bij deze klasfe zijn ook, onder de mannen zoowel als onder de vrouwen, binnen's huis fehoenen en pantoffels in gebruik.

Het haar laten beide fekfen in zijne natuurlijke lengte. De mans dragen het dooigaans boven op het hoofd zamengebragt en door een' kam vastgehouden. Vorftelijke perfonen laten liet wel in lange lokken over hunnen rug golven. Mans en vrouwen van alle klasfen befmere» bun haar met olie. Vrouwen brengen er dikwijls reukwerk in, en tooijen het bij plegtige gelegenheden met velerlei bloemen en edele gefteenteiv Beide gedachten zalven zich met welriekende oliën. De armoedigfte kieeding, beftaande veelal Hechts in een grof'ftuk doek om het middellijf, heeft bij de Sunda-bewonerspfaat$. Van de gewone kleeding der Javanen verfchiilen zeer de dragten, onder hen in gebruik bij oorlogstijden, en wanneer zij ten hove of voor hunne vorften verfchijnen. De in het eerstgenoemde geval gebruikelijke manier van kleeding beftaat in een' pantalon, die van de heupen tot op de enkels gaat; in eeu' rok van gekleurde zijde of van fijn katoen, die maar tot beneden de knien afhangt, en in een ftuk doek, dat men zeven of achtmaal digt om het geheele bovenlijf (laat, en boven hetwelk men twee vesten draagt, waarvan het bovenfte langs het lijf en aan den hals toegeknoopt is, terwijl over alles heen een bovenrok of buis aangetrokken wordt. Voorts behooren bij deze krijgskleeding een fluijer voor het aangezjgt, en fchoenen of voetzolen. Een zwaard hangt op de linkerzijde in den gordel , die om de middel gaat, welke tevens met drie kris/en of dolken gewapend is. Men kleedt zich over het geheel bij het te velde trekken zoo kostbaar als men vermag, en gebruikt daarbij al de ringen en juweelen, die men in bezit heeft.

Bij de hof- of ftaatfiekleeding daarentegen is het geheele bovenlijf naakt, doch met eene foort van wit of geel poeder beftreken. Alleen het hoofd moet bedekt

MENG. I8lp. NO. 2. E Zijn