is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 3

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van eenige stervenden.

101

verre van mij, dat ik het Materialismus van hobbes, de la mettrie, hume , priestley en anderen zou willen verdedigen. Alleen in de overtuiging, dat een fchijngrond aan elke goede zaak nadeelig is, voornamelijk als de beflisfing eener zaak bezwaarlijk is, ja zelfs onmogelijk, — zoo als zulks kant, met betrekking tot de onfterfelijkheid der ziel en andere dus genoemde Metaphyfifche voorwerpen, bewezen heeft uit het (landpunt des van hem genoemden reinen ver. nufts, — fchrijf ik hier de volgende korte aanmerkingen neder.

,, Als fommige menfchen in het oogenblik, dat de laatfte ligchaamskrachten verdwijnen, teekenen van eene heldere, levendige en blijmoedige zielsgefteldheid geven , dan ligt, naar mijne gedachte, de naaste oorzaak des doods niet in de herfenen , als derzelver organifche vorm, die befchouwd moet worden als de (leun der werkzaamheden van de ziel. Doorgaans zijn het uitterende zieken, bij welke men zulk eene heldere onbenevelde zielsgefteldheid vindt, en wel zulke uitterende zieken, bij welke het atrium mortis niet in het middelpunt des zenuwgeftels, maar in zulk eenen vorm opgeflagen is, welke meer de mindere werktuigelijke verrigtingen, b. v- , de fpijsverduwing, bloedbereiding, enz. bevordert, dan de hoogere werkingen. Dit is het geval bij zulken, die aan longtering lterven. Helder en vrij, ja zelfs opgeruimd, vertoonen zich menigwerf kort voor hun verfcheiden, de werkzaamheden hunner ziel, en zulks vaak zoo veel te meer, naarmate hun grover omkleedfel meer verteert, bouwvalliger wordt en fterker tot ontbinding overgaat. Zij worden niet langer in hun hooger aanzijn en werk door eene lagere, onedeler drift en handeling beperkt. Hun gelijkt, offchoon zeer onvolkomen, de gezonde nuchtere mensch in de gouden uren eens vroegen helderen morgens, voor dat hij door fpijs en drank zich der aarde gewijd heeft. Ook vinden wij menigmaal deze helderheid en onbelemmerdheid van geest, kort voor den dood bij heete zenuwkoortfen, als de uitputting reeds de mindere werkingen belemmerd heeft; maar het leven der opperde deelen nog werkzaam is: of wanneer de ziekteftof bij rotkoortfen, die in het eerst nog geregeld door den ganfchen omloop des bloeds verdeeld was, en daarmede ook de werking der herfenen verftoorde, ijlen, flaapG 3 zucht,