is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 5

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

198

REDEVOERING

vijanden van den ftaat vervolgen, de zeeën overfteken,

Wanneer zijne ziel brandt pm zijne ongeloovige natuurgi-nooten te bekeeren, zijnen weg midden door gevaren en dood rustig wandelen, en het voorgedekte doel niet dan met den laatften Ihik opgeven , voor regt en geregtigheid drijden , de verdiukte onlthuld handhaven, den armen helpen, en den beioeltigen en cliendigen den magtigen arm des onierftands. hulpvaardig en moedig toereiken.

Welk eene aanminnige beeldtenis, zult gij zeggen, mijne heeren! maar, helaas! wij moeten weder het licht van eenen anderen kant op deze fciioonfchijnende fchil» derij laten vallen. — Deze edele voortvarendheid en moed vervalt maar al te dikwerf bij den Cholericus tot eene bijna onzinnige drift, hij is woest en onlluimig, vrijpostig van aard en onbefcbeiderl uit natuur, vecht met eene wonderlijke woede voor elke herfenfchim, die hem voor den levendigen geest komt, met eene zonderlinge buitenfporigheid, is trotsch en verwaand, en zelfs, jegens zijne minderen vooral, beleedigend; is opftuivend, onbedacht, toornig, wraakgierig, en dikwerf onverzoenlijk. — Eerzucht is bijna aileen ue drijfveer van hetgeen, wat hij doet en onderneemt, eerzucht is de verborgene drijfveer van al zijne daden en handelingen, terwjl hij niet zelden de kunst bezit om deze zijne eenige drijfveer achter het dekmanteltje van liefde tot het vaderland, den vorst, of ook wel het algemeene belang, kunftiglijk te verbergen — het is waar, hij werkt goed en ijverig voor land en kerk, maar waarom? Ja, vraëgt dit niet — het is waar, hij heeft dien onfchuldigen, met de uiterde krachten in te fpannen goed, leven en eer behouden, maa' waarom ? och! vraagt het niet , en gij behoudt uw geloof aan menfchelijke deugd; — hij deed het alleen uit eerzucht, niet uit gevoel van pligt. —— Maar, dunkt mij, hoor ik iemand uwer zeggen: — wat, zegt dit zooveel, als hij het goede maar betracht! — O, mijne lieve vrienden! zeer veel, het grondbeginfel in menfchelijke daden en handelingen is alles, het andere niets, — want ziet, opdat gij mij begrijpen fnoogt, wanneer zijn roem, zijne eer weer morgen den val van den braven . dien hij gisteren gered h eft, eifchen moog;, dan laat hij nem vallen. — Wanneer hem morgen de dwingeland een paar eilen ordensünt voor de fehemerende oogen houdt, dan vloekt

hij