is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 6

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DÉ TEMPERAMENTEN DER MÉNSCttEN.

kunnen ontdekken; de dweeper in eiken Godsdienst, droeg, gelijk hunne levensgefchiedenisfen ten duidelijkfte leeren , den ilempel van dit temperament; en waar-» lijk, de wijsheid moge lagchen of niet, er moet een edele geest den mensen bezielen, om *— aan zijnen God,, de wereld en alles wat zij biedt, volvaardig op te offeren : — hetzelfde is waar van vriendfehap en liefde* die edele dochteren der menschlieid: — cie liefde ja! groeit nog op eiken bodem, hare magtige ftem noodzaakt den mensch zijn egoïsme te verlaten, en in het lot van een ander wezen te deelen: maar de vriend* fchap, heiaas 1 de booze geest dezer wereld heeft haaf ontwijd, en haren heiligen naam, om niets ergers te zeggen, in een' blooten klank veranderd: die vriendfehap der voorwereld vindt men flechts hier en daar nog eens in den melancholicus; jal ik houde mij ver* zekerd, wanneer het den geest onzer eeuw gelukken rnogt, hare nog weinige outers om te ttooten, en het •eigenbelang'va. hare plaats op aarde te doen heerfchen. zij nog altijd in den melancholicus haren opregten vereerder Zou blijven vinden. — Gij zult zeggen, dat is raar! ja! de melancholicus maakt ligt vrienden; maar nü van den anderen kant, het fpüt mij van den mensch — tot even groote ondeugden neigt dit natuursgeftel! «— Wantrouwen, vrees, achterdocht ook omtrent den bes» ten, onrust, ontevredenheid, morren, klaagzucht, onachtzaamheid, morlïgheid, woede, brandende minnenijd. —— Zie hier reeds eene droevige lijst, en helaas! zij is nog niet ten einde, ieder uwer, mijne lieve Vrienden! mist immers, boven aan het zwarte register des melancholicus zoo bekende fchuwheid, ja gebeelen afkeer van menfehen, en allen menfchelijken gezelligen omgang; terwijl onder op den bodem twee zwarte ondeugden liggen, dit temperament, gelijk nader blijken Zal, maar al te zeer eigen , wreedheid en wellust. _ 3°- Wij willen u uit de gouden bladen der gefchiedenii dit nader ophelderen en bevestigen.

De dwingelanden, die de menschheid nog op het hooren hunner namen doen beven, waren zwartgalligen; laat ons flechts twee namen noemen: keizer tibefcius, en koning lodewijk den XI; tacttus en commines, die heerlijke gefchiedfehrrjvers, befchrijven nen ons, als vreesachtig, meineedig, wantrouwend» cn de eenzaamheid liaag zoekende, als uit eene aangeQ a be«