is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

go6 Bij BESCHAAFDE LIEDEN HEERSCHEN OOK NO*

ian die ziekte geftorven is, bezocht, ook heeft zij nog eens een kind, dat dag en nacht op harett lag, zoo lang het de kinderziekte had, opas', en toch bleef zij vrij; waarom zouden wij, „ haar dan de ziekte van een beest inenten?" Al mijn redeneren daartegen was vruchteloos; zij noch vader groeneveld waren te bewegen, want fchoon ik duidelijk zag, dat doortje de kinderziekte onder de leden had, wilde ik toch de kwaadaardigheid van die ziekte door de vaccine beteugeld hebben. Ook rozenberg, die den toeftand van zijne dierbare bruid met bitteren zielangst befchouwde, fmeekte dit te vergeefs. Het arme doortje was, na weinige dagen, door de kwaadaardigste foort van kinderpokken als bedekt. Zij leed verfchrikkelijk veel, en het doodsgevaar vermeerderde met elk oogenblik. Haar broeder weende bij het veege krankbed der zuster, terwijl hij zijne gezonde gevaccineerde kinderen onbekommerd daarom heen liet fpelen. Ik moest de verwijtingen tegen zijne ouders, welke hij telkens op de lippen had, met moeite beteugelen. Doch de fmart des troosteloozen bruidegoms Iteeg tot vertwijfeling. „ Ontaarde ouders!" — riep hij meer dan eenmaal — „ gij hebt uw kind ,, al dat lijden veroorzaakt, gij ztjt het, die mij dezen engel van het hart fcheurt. Ach! zoo vele jaren lang hebt gij haar geluk moedwillig vertrapt!" Ik kon het jonge mensch niet tot bedaren brengen. De vader rukte zich de grijze haren uit het hoofd, bij het zien van zijnen zoon en deszelfs kinderen, die zoo volkomen veilig waren door een middel, hetwelk hij verfmaad had. De oude vrouw deed zich zelve de hartbrekend He verwijtingen. Doortje ftamelde hun vergiffenis toe, en ftierf in de armen van haren bruidegom. Vrouw grokneveld werd door eene hevige koorts aangevallen, en na acht da«ien overleed ook zij. Ik kan u niet zeggen, mijne vrienden! wat ik zelf geleden heb. De ongelukkige grijsaard kwijnt zijn leven weg; ik vrees zelfs, dat zijne verftandelijke vermogen» gekrenkt zijn.

Mevr. R. {zich de tranen afdroogendé). Arm door* tje! had ik dat kunnen denken?

Dom. Ja, maar vooral, arme ouders! Doch het is reeds later, dan ik gedacht heb, het gezelfchap hoop

ik-