is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

318 UITTREKSELS UIT DE BRIEVEH

geenszins voor behoefcigen. De zeeofficieren zijn in Engeland meestal zoogenaamde Gentlemen, dat wil zeggen, lieden, wier ouders hun eene zekere opvoeding geven en voor hunne uitrusting kunnen zorgen. Zij komen dus niet als gemeene matrozen aan boord, maar met de vaste verwachting en genoegzame zekerheid, officiers te zullen worden; ook zijn zij terftond van de gemeene matrozen onderl'cheiden, heeten Midfhipmen, ftaan onder de bijzondere zorg van den bevelhebber, worden in rang tusfchen dezen en het overige fcheepsvolk gerekend, zijn de uitvoerders zijner bevelen, en worden, offchoon zij ook wel zekere geringe dienften doen moeten« toch als eene foort van officieren aangemerkt. Dus kan de gemeene Engelfche matroos nimmer tot officier opklimmen, al is zijn aanleg ook nog zoo groot, zijn verblijf is in de onderfcheidene deelen van het fchip, en hij heeft geene gelegenheid zich die geleerde kennis te verwerven, welke eenen zeeofficier volftrekt noodzakelijk is. Alles waarnaar hij ftreven kan is de plaats van bootsman, welke de opperfte der matrozen is, en in de laatfte plaats de verkregene bevelen door middel van eenen roeper aan de matrozen bekend maakt. Nu en dan klimt er een op tot master of the fhip; zeer zelden tot luitenant.

In deze zeefchool te Amjierdam daarentegen, vindt men zeer gemeene en arme kinderen, welke een algemeen onderwijs ontvangen, hetwelk niet flechts theoretisch maar ook praktisch is. De ichool ligt aan het water, en zij hebben fchepen, waarop zij het geleerde in uitoefening brengen: de onderwijzers ontdekken fpoedig waartoe de knapen het best gefchikt zijn, eö dan neemt men ze er onverwijld af, en verplaatst den eenen op de fcheepswerf en den ander op dit of dat gedeelte der vloot.

Er zijn in Amjierdam drie fchouwburgen, een Hol' landfche, Franfche en Duitfche; maar de laatfte fpeelt in deze dagen niet. Dat ik behalve den Franfchen» den Hollandfchen ten minfte eenmaal bezocht heb» kunt gij ligtelijk vermoeden. Het gebouw is groot e° fchoon, de kleeding, die ik er zag, rijk, en volkomel1 overeenkomftig het kostuum in het ftuk. Alles fictie^11 goede orde en overvloed aan te duiden, en het ftuk was in Alexandrijnfche dichtmaat en uit de gefchiedenis vaIj