is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 8

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34°

VERHANDELING

,, gen, en ook weder, voor den Regter, te verfchijnen

om nogmaals geoordeeld te worden? Iets waarvan, „ in de Goddelijke Openbaring, geen fchijn , of fcba„ duw, te vinden is. En waartoe zou dat tweede oot» „ deel dienen ? er kan immers , in dit eenmaal gevelde ,, vonnis, geenc verandering plaats hebben? Of zou „ die, in de Openbaring zoo vastgeftelde Oordeelsdag ,, alléén gefield zijn voor diegenen, welke, bij de algemeene ,, opftanding, zich op aarde nog levende zullen be#

vinden? Dit is ook niet wel denkbaar."

Ten derde zou men kunnen vragen: „Indien de zie' ,, der regtvaardigen , bij het affterven van haar ligchaam» „ al aanllonds, naar den hemel worde overgevoerd, „ en aldaar de volkomene zaligheid genieten, waarto^ ,, dan eene nadere vereeniging, met haar opgewekt ,, ligchaam? men kan toch niet hooger, niet meerder, „ dan volkomen gelukzalig zijn."

Ten vierde, zou men eindehik kunnen vragen: „Hoe „ zal die geheel en al onftoffelijke ziel (daar dezelve» „ bij het affterven van het ligchaam , van alle uitwen' „ dige zintuigen wordt ontdaan, en dus ook, alsdan „ geene gewaarwordingen, van de dingen buiten haar, „ kan ontvangen) beffaan, en werkzaam zijn ? ZoU ,, men niet eerder kunnen ftellen, dat de ziel alsdan» „ gebed, en als eenzaam, in zich zelve befloten zat „ blijven , zonder door gezigt, gehoor, of gevoel, iets „ gewaar te kunnen worden van de (loffelijke dingen» ,, zonder zich, aan andere geesten, te kunnen ontdek' „ ken, of van deze te kunnen ontdekt worden; dus

zou zij, op zijn hooast, alleen door herinneringen» „ kunnen werkzaam zijn, met datgene, hetwelk zij» „ nog op aarde zijnde, door gewaarwording, heeft ont* „ vangen."

Tweede klasse.

Deze ftellen mede, zoo als die van de eerfte klasfe» „ dat er ja wel, eene onfterfelijke ziel, welke alleen het

yerflandsvermogen van denken en willen uitmaakt» ,, in den mensch aanwezig is; echter met dat ond«r" „ f'cheid, dat zij de ziel, niet geheel en al als onftoffe" „ lijk houden, maar dat dezelve, met eene allerfijner» „ onzigtbare ftoffe zou omkleed zijn; welke ft^f.ï

als eene eigenfchap der ziele zijnde, haar ook altn»